Struinpad  

   

Luchtfoto's  

   

Boek:Oorlogsherinneringen  

   

Schoolfoto's  

   

Oorlogsverhalen Henk Peters - deel 1

Deel 1


Henk Peters was in 1940 negen jaar oud. De familie Peters verpachtte in 1951 hun boerderijtje aan tuinder Sjef van den Bercken en vertrok naar Meijel maar keerde na afloop van het pachtcontract weer in Milsbeek terug. Henk volgde de Sociale Academie in Tilburg en trouwde met Fien Franken. Hij woont momenteel in Leende maar heeft altijd een band met zijn geboortedorp gehouden. In 2004 heeft hij geheel
op eigen initiatief zijn oorlogsherinneringen op papier gezet en heeft deze aan ons  beschikbaar gesteld. Zijn herinneringen zijn geknipt en worden in een paar delen op de website geplaatst. De verhalen zijn ook opgenomen in het uitverkochte boek “OORLOGHERINNERINGEN MILSBEEK”. Zijn verhaal over de lange, barre (evacuatie)tocht volgt later. De penseeltekeningen zijn van Jan Koenen

Inval en bezetting op de Oudedijk
Door Henk Peters

De inval was op 10 mei 1940. Rond 5 uur `s morgens stond ik samen met mijn vader en moeder buiten naar de lucht te staren. De Duitsers waren Nederland binnengevallen. De buurman, Herman Laracker, kwam al snel naar ons toegelopen. Ja hoor, wat we al zo lang verwacht hadden was een feit.
De Duitsers kwamen met veel machtsvertoon in de lucht naar het westen gevlogen.
We tuurden geregeld naar de Maasbrug in Gennep of die nog over de Maas lag. Daar was vader alles aan gelegen want hij werkte bij Rijkswaterstaat als kantonnier en had het gebied van Sambeek tot Grave. Omdat de mobilisatie afgekondigd, was mocht mijn vader niet meer bij de brug in de buurt komen. Daar lagen allemaal Nederlandse soldaten, in loopgraven en kazematten, die er nu nog steeds als stille getuigen staan. Aan de brug waren springstoffen bevestigd om de zaak op te blazen. Er gebeurde niets. De soldaten hadden grind in plaats van munitie in de kisten. Dit hebben we achteraf gehoord. Bij de grensovergang Hekkens van Duitsland naar Ven-Zelderheide, Ottersum en Milsbeek hing als een baken een heel grote ballon in de vorm van een zeppelin in de lucht. Deze moest als baken voor de vliegtuigen dienen. Schoolgaan was er de eerste dagen niet bij, maar hier werd al gauw een einde aan gemaakt. Het dagelijks gebeuren nam zijn eigen plaats weer in. In feite merkten we niet echt veel van de Duitse bezetting en ook de soldaten zagen we nauwelijks. Later bleek dat alles sluipenderwijs gebeurde. Milsbeek fluisterde volop. Asperge hindernisssenOok kleine potjes hebben oren, vooral als de grote mensen in bedekte termen gingen spreken, waren we een en al oor. Veel namen van mensen in Milsbeek en hun gezinnen werden aangeduid als NSB’ers en in een aantal gezinnen was een zoon, die bij de SS was. Een van hen is naar het oostfront gestuurd en nooit meer in Milsbeek teruggekeerd. De inwoners van Milsbeek begonnen elkaar te wantrouwen. De bonkaarten werden ingevoerd en moeder was er als de kippen bij om uit te tellen hoeveel we voor acht monden en mondjes konden kopen en hoe lang de kaart geldig was. Over papieren rompslomp gesproken!! Echte honger hebben we geen van allen in Milsbeek geleden. De meeste inwoners hadden wel een klein gedoetje, oftewel een keuterboerderijtje. De mensen uit de stad, vooral Nijmegen, gingen de boer op en werden vaak op de meest misselijke manier afgezet. Zo kwam er veel zwart geld binnen. De middenstand, zoals bijvoorbeeld de bakker, vroeg de hongerlijdende stadsmens abnormaal hoge prijzen voor brood en boter. Zonder distributiebonnen natuurlijk. Ook alle andere eetbare artikelen gingen duur van de hand. De grote en kleine boeren brachten zo af en toe op de fiets, driewieler, handkar of boerenkar graan naar de molenaar in Milsbeek, Ottersum of  Ven-Zelderheide. Daar kon men dan weer wat mee doen, gift, gebruik of misbruik? Dat hing voornamelijk van het karakter van de eigenaar af. Intussen kregen de schoolkinderen af en toe een sinaasappel op school. De twee juffen en de twee meesters stonden erbij en alles werd eerlijk verdeeld. In diezelfde tijd kregen we als schoolkinderen een opdracht om onder toezicht van leraar of lerares beukenootjes te gaan rapen bij de Plasmolen. We moesten wel alles inleveren. Tussen 1941 en 1944 kregen we geen echte koffiebonen meer te zien en met de thee was het al precies eender. Ook daar was weer een antwoord op. Rogge, ja rogge. Die werd door moeder in de koekenpan op het fornuis gezet. Het begon door het hele huis te stinken. Eenmaal bruin ging het de koffiemolen in. Ja, met veel fantasie rook en proefde je koffie. En dan de thee! Ook daar had de afgezant van Hitler iets op gevonden. Tegen de herfst werd de kinderen opgedragen theeblaadjes te gaan knippen lees: -blaadjes van braamstruiken-. Deze blaadjes werden in zakken (die waren er wel genoeg) verzameld en moesten thuis in zon en wind wat drogen. Daarna konden we de voorraad gedroogde blaadjes inleveren op een verzamelpunt in Milsbeek. Een beetje vocht erover en het gewicht was iets gunstiger voor de jonge oogsters. Eigenlijk leefden we als jeugd vrij onbezorgd. Vader en moeder vingen de klappen wel voor ons op. Wat die allemaal doorstaan hebben met hun angsten en zorgen werd niet aan ons zessen meegedeeld. Mijn oudste zus Marie ging in 1943 naar de huishoudschool in Nijmegen. Deze school was gelegen aan de Groesbeekseweg. Intussen waren de kontakten van een lerares van de huishoudschool, een zekere mejuffrouw Kalkman en mijn ouders vrij geregeld te noemen. Mej. Kalkman had mooi bestek en leverde dat maar al te graag in voor boter, melk en een stukje van het varken.
Zij werd wel eens uitgenodigd om mee te eten “ wat de pot schaft”. Ze was een vrolijk en gelukkig mens als ze bij ons was. Ik herinner me haar als een heel deftige dame. Rechtop en niet bang. Een andere zorg was echter het gedrag van mijn zus. Zij had op het station in Nijmegen een -zoals ze het tegenwoordig noemen- een hangplek gevonden. Daarom hadden mijn vader en moeder mej. Kalkman gevraagd om mijn zus zolang op de school te houden totdat de tram op de St. Annastraat in Nijmegen naar Milsbeek vertrok. Zo is het ook gebeurd en ze bleef op school . Op 22 februari 1944 werd Nijmegen, men zegt per vergissing, gebombardeerd.
Schuilkelder in aanbouwOp die dag was mijn vader werkzaam aan de Maas in Grave. Ook daar was over een afstand van maar 12 km het bombardement van Nijmegen duidelijk doorgedrongen. Het was een hectische dag. Door de verschrikkelijke bommenregen op Nijmegen dwarrelden in Grave bij de brug en sluis allerlei papieren neer, uit Nijmegen afkomstig. Toen vader thuis kwam op de fiets van Grave via Mook naar Milsbeek omstreeks 6 uur, was Marie er nog niet. De familie Peters zat in zak en as. Toen konden vader en moeder hun zorgen voor ons niet meer verborgen houden. Telkens weer op de fiets naar de tramhalte in Milsbeek of naar de Drie Kronen, een tramhalte tussen Milsbeek en Ottersum, maar geen Marie. Rond tien uur ’s avonds kwam er wat verkeer van Nijmegen naar Gennep en ja hoor, ze was er bij. Goed dat ze geluisterd had naar mej. Kalkman. Vrij kort daarna hoorden we van twee nichtjes van ons, die allebei in Nijmegen werkten, wat voor een verschrikkelijke taferelen zich daar hadden afgespeeld. Op de St. Annastraat hadden ze over de lijken heen moeten stappen om maar niet meer verder te praten over al datgene dat daar omheen te zien was. Het station was totaal plat gesmeten. Frans Kerkhof overleefde het bombardement van Nijmegen niet. In 1944 gebeurde er nog iets dat je niet snel vergeet. Iedereen lag in bed, alleen Ida, de jongste lag in de kinderwagen, bij vader en moeder in de slaapkamer. Normaal stond de kap van de wagen altijd omlaag. Dit
keer niet en maar gelukkig ook. Opeens een geweldige dreun, klap, gedonder, eigenlijk niet te omschrijven. Met z’n allen begonnen we te gillen en te schreeuwen. Op dat moment wisten mijn vader en moeder dat hun kroost nog leefde. De deur van de slaapkamer van mijn ouders tussen het nieuwe gedeelte van het huis en oude gedeelte, was ontzet. Met nogal wat geweld wist vader de deur open te krijgen. Ongeveer 200 meter voor ons huis was een vliegende bom, een V-1 ingeslagen.  Van slapen kwam niet veel voor de oudsten. Bij daglicht zagen we dat de ravage enorm was. De voorgevel van ons huis was vanuit de nok tot aan de fundering totaal
gescheurd en de ruiten waren door de luchtdruk naar binnen gedrukt. Dank zij de opstaande kap van de kinderwagen had Ida, een baby van toen 7 maanden geen enkele glassplinter over zich heen gekregen. Dakpannen lagen door de luchtdruk
in golven op het dak en de rest lag op de grond. Het leek of ons huis een permanent gehad had. Er was een enorm gat geslagen en er waren later 78 karren zand nodig om het weer dicht te maken. Omdat we een molestverzekering hadden kregen we iets vergoed en dat heette oorlogsschadeherstel. Bij buurman Herman Laracker was de dienstmeid gewond door glasscherven. Verder had niemand een schrammetje. De V1 was ongeveer 200 meter voor het huis van Herman ingeslagen. Herman
(weduwnaar) lag met zijn twee dochtertjes Nel en Bertha in dezelfde slaapkamer aan die zijde waar de bom gevallen was. Ongeveer 50 cm boven het bed van buurman was een grote scherf naar binnen gedrongen. Het gat in de muur had zeker een doorsnee van 20 cm. Deze scherf was achter het bed van de twee kinderen tegen de muur tot stilstand gekomen en omlaag gevallen. Dit was een gloeiend stuk monster. Iedereen had geluk gehad. Dit was een zwarte zaterdag. Op zondag kwam het ramptoerisme op gang. Grote drommen mensen uit de wijde omgeving kwamen de
ramp overzien. Samen met mijn kameraadjes, de buurjongens Tön en Wiel Kusters gingen we aan de slag. Met een bord met opschrift hoe erg het allemaal was, een tafeltje en een paar diepe borden, een stoeltje en een droevig gezicht en de inzameling was begonnen. We haalden een dikke drieduizend (oorlogs)guldens
op, die we op het opkamertje bij de familie Kusters op de vloer uitgespreid hadden. Daar werd ‘de buit’ verdeeld, en in drie gelijke porties weer uitgedeeld aan de familie Laracker, de familie Kusters en de familie Peters. Wij hadden tenslotte ook al het werk gedaan. Mijn vader bleef zijn hoofd maar schudden. Een miezerige 1000 gulden tegenover de echte schade die we allen geleden hadden, betekende eigenlijk niets. De milde medelijdende gevers hadden alleen papiergeld. Alles ging geruisloos. Het was allemaal nog maar een voorbode van de verschrikkingen die Milsbeek daarna te wachten zouden staan. Op zondag 17 september 1944 waren wij, de groteren, naar de hoogmis gegaan. Tijdens de kerkdienst begon het ineens te donderen bij heldere hemel. Pastoor Hoefnagels zei dat we rustig moesten blijven. Maar de eerste bommen waren al op de Milsbeek gevallen op de St. Janberg en bij de Diepen. Via de Potkuilen gingen we naar huis. Onderweg zagen we heel veel vliegtuigen in de lucht en ook parachutisten. We waren allemaal van slag. Binnen blijven was er niet bij. Vlak tegenover ons huis aan de andere kant van de weg lag in de wei van Kusters een heel dik lang touw. Later bleek dat de geallieerden de zweefvliegtuigen met dit touw aan de vliegtuigen gekoppeld hadden, op sleeptouw genomen dus. Bijna alles speelde zich af in de lucht. Er kwamen ook pamfletten naar beneden vallen met Duitse tekst. Ook viel er veel zilverpapier in stroken naar beneden en later kwamen we er achter dat dit zilverpapier een stoorzender was tegen de vijandelijke radar. Richting Reichswald vlak bij de Zuid-Nederlandse grens zagen we een vreemde tank, die richting Plasmolen-Middelaar ging. Daar kwam helaas gedurende vele maanden de frontlinie te liggen. Opeens zagen we richting Reichswald van ons huis uit gezien een geheel andere tank dan we totnogtoe gezien hadden. Deze was zandkleurig en die van de Duitsers waren groen-grijs. Het bleek er eentje van de geallieerden te zijn. Deze tank ging langzaam naar het noorden, richting Plasmolen-Middelaar. Tot dan was dit alles, wat we van de bevrijders op het land te zien hadden gekregen. Milsbeek was net een mierenhoop geworden. Hele horden Duitse soldaten, meestal gewapend met schoppen gingen richting Reichswald. Daar werd meteen begonnen met loopgraven te maken en tankvallen.
Voor die tankvallen hadden de Duitsers tankmijnen gelegd. Die tankvallen hadden ze voor de Kroonbeek gelegd. Inmiddels was Milsbeek veranderd in een groot afweerpark. Bij ons thuis stonden kanonnen richting Plasmolen en ook bij buurman Laracker en zijn zus Marie Kersten en richting Driessen aan de onderkant.Bommenwerper Onder de
bomen daar stonden dezelfde vuile granaatwerpers. Als bij ons in de buurt de Duitsers een granaatsalvo afvuurden naar de kant van de geallieerden, in Plasmolen, Middelaar, Mook en Groesbeek, dan renden we ons met zijn allen verrot om in de schuilkelder te komen. Direct na de luchtlanding (Market Garden; weet ik nu pas) hadden ze bij de buren, de familie Kersten, een schuilkelder. Die hadden wij toen nog niet. Toen het luchtalarm afging renden we met zijn allen naar de familie Kersten door onze wei voor het huis. De sloot in de wei stond vol water en mijn oudste zus die een van de kleinere kinderen droeg, plonsde in de sloot. We kwamen toch veilig aan bij de buren. Daar was de hele schuilkelder voor driekwart gevuld met angstige buren die het ook niet meer zagen zitten. Een dochter van de buren lag heel erg dicht tegen haar vriend aan. Het was ene Jan. Voor iemand van dertien jaar was dit natuurlijk opletten. In diezelfde nacht dat we vluchtten, werd er een zware bommenwerper van de geallieerden neergehaald. Die kwam in het Groesbeekse terecht aan de Breedeweg. Van de bezetters mochten we daar een kijkje gaan nemen. Dat was hun triomf. Er lagen drie lijken naast het toestel. Als jongen van 13 jaar maakt dit wel een beetje indruk. Van de reacties van mijn ouders en broers en zussen kan ik mij helemaal niets meer herinneren. Wellicht was ik teveel met mezelf bezig. Toen we zelf een schuilkelder hadden, gingen we iedere nacht daar in slapen en als er overdag luchtalarm werd gegeven waren we er als de kippen bij om ondergronds te gaan. De Duitsers hadden inmiddels de slaapkamer van vader en moeder ingepikt en daar hun commandopost geïnstalleerd. We leefden niet naast elkaar, maar met elkaar, ook de ongeveer 14 militairen die bij ons op de ‘deel’ (het achterste gedeelte van een kleine boerderij) lagen. Zij lagen daar op stro. Ons stro! Ook die jonge militairen hadden het moeilijk. Eentje stond er te janken omdat hij al 6 weken geen post meer van zijn familie had ontvangen. Via de radio had hij gehoord dat Keulen was gebombardeerd. Daar kwam hij vandaan. Op een middag liepen er verschillende Duitse soldaten rond het huis en in een keer was het gedonder aan de gang. Vliegtuigen van de geallieerden hadden ontdekt dat er een concentratie van Duitse militairen in ons huis moest zijn. Meteen werd er een aanval ingezet. Wij meteen als een haas de kelder in. Direct daarna gingen we overal rondneuzen. En ja hoor, er was vlak bij huis in het gras iets aan het smeulen of roken. Henk meteen wroeten en ja, succes! Een scherf van de beschieting, maar die was gloeiend heet; ‘‘auw!’’ We lagen nu ongeveer twee weken in de frontlinie. Iedere dag gebeurde er wel wat anders. Ook eten halen hoorde erbij. Op een middag had moeder mij distributiebonnen gegeven en samen met twee buurjongens gingen wij op weg naar bakker Thijssen om brood en stroop (siroop) te halen. Ik had een soort sisaltas meegekregen met een lege weckfles waar de stroop in moest. In de bakkerij, waar het lekker warm was, stonden we met een man of veertien op zijn beurt te wachten, toen er een luchtaanval kwam. De scherven floten om onze oren. Iedereen duiken. Een scherf was binnengedrongen en mijn klasgenoot Wim Siebers kwam goed weg. Hij lag naast een meeltrog en daar viel een gloeiende scherf naar beneden. Iedereen had weer eens een engeltje op zijn schouder. Op de terugweg naar huis van de Rijksweg, waar de bakkerij lag, naar de Oudedijk gingen we via de “zandberg” (tussen de Rijksweg en de Onderkant). In de zandberg hadden de Duitsers heel wat afweergeschut, vlammenwerpers en kanonnen opgesteld, die 36 granaten tegelijk konden afvuren. Op een gegeven moment moesten we met zijn vieren plat. Granaatscherven vlogen om ons heen. Met ons vieren vluchtten we naar grootmoeder Franken. Inmiddels was er een korenhoop in brand gevlogen. Vlak daarbij had ik mijn tas met brood en de weckfles met stroop laten liggen toen ik richting schuilkelder van oma Franken vluchtte. Toen het wat rustiger werd ging de jongste zoon van oma Franken, Hubert, op zoek naar mijn tas. Hij bracht ze wel mee terug, maar de stroop was voor de helft uit de weckfles over het brood en in de tas gedropen. Op een gegeven moment was het weer luchtalarm en wij de kelder in. Vader was op weg van Kusters naar onze schuilkelder en An Kusters was bij hem. Granaatscherven vlogen in het rond en vlak voor de schuilkelder bij ons in de moestuin sloeg een granaatscherf in tussen mijn vader en An (zij is later bij de familie Gerrits aan de Onderkant door oorlogstuig verongelukt). Een datum kan ik mij niet herinneren, maar in oktober 1944 was er een vliegtuig van de geallieerden neergeschoten en er hadden parachutisten in de lucht Landinggehangen. Dit was gezien door een stel SS’ers die een mitrailleursnest hadden bij het huis van Hannes Maas in de Potkuilen. Met hun verrekijkers hadden ze gezien dat soldaten bij ons naar binnen gevlucht waren. Het waren geen parachutisten, maar twee Poolse soldaten, Stefan Rozmus en een zekere Paul, die in het Duitse leger ingelijfd waren en die de vlucht hadden genomen. Zij vroegen aan mijn vader om burgerkleding. Die heeft hij inderdaad gegeven. Het waren twee oude overalls. Direct daarna zijn ze gevlucht richting Panoven. Zij wisten waar de SS’ers hun stelling hadden en in de schaduw van ons huis gingen zij, zoals gezegd, door de Kroonbeek richting Panoven.
Direct daarna kwamen de SS`sers bij ons de schuilkelder binnenvallen en moesten mijn vader en ik mee het huis in. Daar werden we voor de koeien tegen de muur gezet en een revolver werd op onze borst gericht. Doodzenuwachtig. Wij wisselden geen woord met elkaar. Waarom? De andere SS’er was naar boven naar de hooizolder gegaan en heeft toen met zijn bajonet overal in het hooi geprikt; niks gevonden, terwijl mijn vader en ik daar de uniformen van de Poolse deserteurs verstopt hadden. De sukkel had niets gevonden, maar nog diezelfde nacht heeft ons fornuis gebrand. De militaire uniformen van die twee Poolse mannen hebben we op laten smeulen en het metaal, de knopen gespen en zo meer zijn de volgende dag in de grond verstopt. Wij zijn goed weggekomen en de Polen ook. Moeder en kinderen in doodsangst om wat er met vader en mij zou gebeuren. Later vertelde moeder dat ze met z’n allen hardop hadden liggen en zitten te bidden tot Maria. Ook heeft mijn zus Marie een keer een jongeman, gekleed in een soutane (pastoorstoog), naar Ottersum gebracht. Het moet iemand zijn geweest die zich in de Milsbeekse kerk
had schuil gehouden maar Vader en moeder wilden er niets over vertellen en mijn zus kan ik er niets meer over vragen omdat zij in 2000 overleden is. Met z’n allen waren we al redelijk goed afgericht. Luchtalarm, vliegtuiggeronk in de lucht en hups meteen richting schuilkelder. Afweergeschut over en weer. Vooral als er vliegtuigen in de lucht waren en beschoten werden door de Duitsers door Flach-geschut, dan moesten we bijzonder vlug in dekking gaan anders was het te laat. Twee dagen voor de 6e verjaardag van mijn zus Martha kwamen de Duitsers aanzeggen dat we ons gereed moesten maken om te vertrekken. Waarheen werd ons niet gezegd. De volgende dag kwamen de soldaten overal het vee vorderen, vooral de koeien en
de paarden en natuurlijk ook de kalveren.

   
Boek "oorlogsherinneringen" hoofdstuk 46 Een noodl...13 dec 2018

 Index
Hoofdstuk 46 - Boek "Oorlogsherinneringen" Een noodlottige thuiskomst Door : Wim Bindels De familie Gerrits aan de Onderkant was een gezin [ ... ]

Lees meer...
Boek "oorlogsherinneringen" hoofdstuk 45 Verschrik...02 dec 2018

 Index
Hoofdstuk 45 - Boek "Oorlogsherinneringen" Verschrikkelijk ongeluk met oorlogstuig Door : Jan Franken Geboren op 6 februari 1932 was ik [ ... ]

Lees meer...
Excursie stichting cultuurbehoudmilsbeek 6 en 13 o...04 nov 2018

58 personen hadden zich aangemeld voor de jaarlijkse excursie voor vrienden, vriendinnen, vrijwilligers en hun partner/introducé. Omdat we niet allen tegelijk [ ... ]

Lees meer...
Boek "oorlogsherinneringen" hoofdstuk 44 Het Engel...24 okt 2018

 Index
Hoofdstuk 44 - Boek "Oorlogsherinneringen" Het Engelse kerkhof(War Cemetery) in Milsbeek Door : Gerrie Franken De Britse begraafplaats in [ ... ]

Lees meer...
Heropening Struinpad gedeelte Gebrandekamp28 juni 2018Heropening Struinpad gedeelte Gebrandekamp

Struinpad weer open

Het struinpad op de Gebrande Kamp is gedurende langere tijd afgesloten geweest. Door werkzaamheden van Rijkswaterstaat moest de route [ ... ]

Lees meer...
Beleidsplan04 apr 2018

Beleidsplan 2018 Algemeen / Visie:
De stichting vindt cultuurbehoud belangrijk voor de identiteit van de gemeenschap en haar vrienden, vriendinnen en vrijwilligers. [ ... ]

Lees meer...
Jaarverslag04 apr 2018

JAARVERSLAG 2017 Algemeen
In 2017 bestond het bestuur uit:
Ton Frenken: voorzitter, Toos de Gier-Arends: secretaris, Willeke de Haas-Theunissen: penningmeester.
Bestuursleden:
Nelly [ ... ]

Lees meer...
Andere artikelen
   
© Powered & Hosting by : YonVie.nl