Door Riet Noij-Theunissen

Toen de Tweede Wereld-oorlog al een paar jaar was afgelopen, hebben we in onze familie in 1949 nog een angstige gebeurtenis meegemaakt. De grens met Duitsland was na de oorlog gesloten en het was in die tijd verboden om in het Reichswald te komen.

Er was in Milsbeek natuurlijk aan van alles nog gebrek, ook aan brandhout want de kachel moest in de wintermaanden wel branden. In het totaal vernielde bos was natuurlijk brandhout genoeg voorhanden. Zo hadden ome Piet (Konings) en naar ik meen Gerrit Arts, ‘Gert van Ties’, zoals wij hem noemden, de hele dag onder aan het Reichswald geploegd. Ze zullen ongetwijfeld de grensbewakers op dat moment niet hebben gezien. Daarom werd er, voordat er naar huis werd gegaan, wat hout in het Reichswald, aan de andere kant van de Grensweg, gesprokkeld. Ome Piet moet nog een paar passen hebben gezet om op Nederland gebied te komen. Maar door een schot te lossen, noodzaakten de grensbewakers hem stil te staan. Gerrit Arts moet op die manier nog net de dans ontsprongen zijn. Ome Piet kwam die avond niet thuis en ook zijn hond Tommie niet. Die moet zijn baas zijn gevolgd en pas de volgende dag thuis zijn gekomen. Ome Piet bleek in Kleef te zijn overgedragen aan de Engelsen. Ik herinner me nog goed, hoe het bericht bij ons binnenkwam. Tante Graadje en tante Mientje kwamen huilend bij ons op de dorsdeel bij mijn vader en moeder aan. ‘‘Onze Piet zit in de gevangenis”, kwam er huilend uit. Dat was natuurlijk verschrikkelijk beangstigend voor de zussen van mijn moeder. Het was ook onrechtvaardig voor een eenvoudige man, die geen vlieg kwaad deed en zo goed mogelijk voor het huishouden probeerde te zorgen. Het bericht haalde onder het kopje ‘om een paar dorre takjes hout..‘ de krant.

Ome Piet had ook nog pech. Hij werd blijkbaar op donderdag opgepakt, terwijl de Engelse rechter iedere woensdag zitting had. Ook had hij nog de pech, dat de Engelse rechter vervolgens nog een week met vakantie naar Engeland ging. Aan de Nederlandse consul in Kleef werd een brief geschreven, met het verzoek, om zich met het geval te gaan bemoeien. Die wendde zich tot de Duitse instanties met het verzoek om mee te delen welke ‘misdaad’ ome Piet wel had begaan. Ome Piet bleek door de Duitsers beschuldigd te worden van ongeoorloofde grensoverschrijding en diefstal van hout. Zo op papier lijkt het misschien heel wat, maar in werkelijkheid was het geval zo futiel, dat ieder woord daarover eigenlijk te veel was. Dat vonden de Duitse instanties vervolgens toch ook wel en lieten blijken niet gecharmeerd te zijn van de dienstijver van de ‘zollbeambten’. Ze gaven aan, dat naar hun mening, na behandeling van de zaak voor de rechter, van een vrijheidsberoving geen sprake meer zou kunnen zijn. Er werd aan meegewerkt om de zaak met spoed in Krefeld te behandelen en Ome Piet kon weer naar huis. De pech die ome Piet had, dat hij door de vakantie van de rechter een week langer in ‘het bekende vakantiehuis in Bedburg Hau’ had moe-ten blijven, haalde toen vervolgens nog een keer de krant. Later konden ome Piet en mijn tantes er om lachen, maar in 1949 niet.

‘Rietje Theunissen is de enige dochter van Tön Theunissen (de Kuut) en zijn tweede echtgenote Nel Konings. Hij hertrouwde, nadat zijn eerste echtgenote tijdens de oorlog was overleden. Dochter Rietje werd tijdens de evacuatieperiode geboren en trouwde met Sjaak Noij uit Gennep. In 1984 keerden ze terug naar Milsbeek en gingen ze samen op de oude stek aan de Langstraat wonen. Piet de Kunning was overigens niet de enige, die na de oorlog problemen heeft gehad met het halen van hout in het Reichswald. Dat was overigens iets, dat een jarenlange voorgeschiedenis had. De inwoners van Milsbeek moeten vroeger namelijk het recht van beweiding en het halen van hout in het Reichswald hebben gehad. En houtverkopen in het Reichswald werden ook altijd in de gemeente Ottersum aangekondigd. Zelfs tijdens de bezettingstijd moet het nog een tijd lang mogelijk zijn geweest, om er hout te sprokkelen. Later werd de grens gesloten en ook na de oorlog was het niet meer mogelijk om ’s avonds na de werkzaamheden op het land brandhout als retourvracht mee te nemen.’

Dank aan ons bestuurslid Nelly Keukens

Woensdag 10 april 2019 nam Nelly Keukens voor de laatste keer deel aan de bestuursvergadering van Stichting Cultuurbehoud Milsbeek (SCM).
Na 5 jaren en 3 maanden vindt ze het mooi geweest en is ze voornemens meer tijd vrij te maken voor haar familie, vrienden en hobby's.

In 2014 stapte Nelly het bestuur binnen en kreeg van scheidend bestuurslid Wim Bindels de PR toegeschoven.
Nelly werd verantwoordelijk voor het verwoorden van de activiteiten en projecten op onze website, richting dorpsblad en regionale bladen.
Ze organiseerde de jaarlijkse excursie voor vrienden en vrijwilligers, maakte de foto's en schreef er een leuk verhaal bij.
Verder kwam haar kennis van kerk en kerkhof goed van pas en last but not least, zorgde ze ervoor dat de koffie (met natuurlijk een lekker koekje) al klaarstond als de bestuursleden binnendruppelden voor de maandelijkse vergadering op de pastorie.


Eigenlijk wilde Nelly een jaar geleden al stoppen omdat de benoemingsperiode van vier jaar was verstreken en ze zich niet voor nóg eens voor vier jaar wilde binden.
Maar, omdat het bestuur aangaf dat ze niet aan die termijn gebonden was, besloot Nelly er één jaar aan te plakken.
Dat heeft het bestuur zeer gewaardeerd.

Maar nu is dan toch het einde daar.
Nelly stopt als bestuurslid maar blijft zich als vrijwilligster inzetten voor SCM.
Ze blijft helpen met het onderhoud van de grafmonumenten, met het maken van foto's waar nodig en het alvast klaarzetten van de koffie (en koekjes) als ze toch in de pastorie aan het werk is op de vergaderwoensdag.

Aan het einde van de vergadering bedankte de voorzitter - mede namens alle bestuursleden, vrienden en vrijwilligers - Nelly voor al haar inspanningen en het vele goede werk dat zij verrichtte als bestuurslid.
Ze werd uitgezwaaid met een bloemetje en cadeaubon.

Bestuur SCM

Door : Wim Bindels

In heel Nederland werden in de loop van 1945 bevrijdingsfeesten gehouden. Dat gebeurde ook in Milsbeek en Ottersum en wel in de kermistijd van 7 t/m 10 oktober 1945. Dank zij de Maas- en Niersbodes van 6 en 13 oktober 1945 hebben we nog informatie over het programma en het verloop. Het feest startte op zondag om 10.00 uur met een Hoogmis voor de gevallen bevrijders, ’s middags gevolgd door een optocht en een plechtige dodenherdenking op het ‘heldenkerkhof ’. Hier werd het woord gevoerd door burgemeester van Banning van Gennep. Een Engelse kapitein, die ook een herdenkingswoord zou spreken, bleek de ontroering te machtig te zijn geworden. Twee broers van hem waren ook ‘gevallen’ en hij moet slechts een enkel woord van dank over zijn lippen hebben kunnen krijgen.

Onder het spelen van de volksliederen werden de nationale vlaggen gehesen. Vervolgens werd op het sportterrein een voetbalwedstrijd gespeeld die werd opgeluisterd door muziek van de fanfare. Dezelfde avond om 19.00 uur ’s avonds werd er door de toneelvereniging ‘Milsbeek’ een uitvoering gegeven. Opgevoerd werden ‘Sally als redacteur’, een klucht in 3 bedrijven en ‘Daar komt brommen van’, een klucht in 2 bedrijven.

Het programma werd van maandag t/m woensdag om 9.30 uur gevolgd met een matinee (dansen) in de tent, die was geplaatst bij café ‘De Zwarteweg’. Maandagmiddag waren er volksfeesten op het sportterrein en dinsdag kinderfeesten. Woensdag een gekostumeerde voetbalwedstrijd tussen veteranen, die door de fanfare werd opgeluisterd. De instrumenten waren in Heumen geleend en moesten daarna teruggebracht worden. Dankzij de, naar aanleiding van onze oproep, door inwoners ingebrachte foto’s of exemplaren die ik ‘toevallig’ tegen kwam in albums, kunnen we nog wat nagenieten van het feest. Met name de foto’s van de fanfare en de voetballers zijn niet van beste kwaliteit en niet alle personen zijn herkenbaar maar alleen al omwille van de sfeer willen we ze de lezers niet onthouden.


Op de foto's staan een aantal wagens uit de Bloemenstraat opgesteld voor de boerderij van Jan Hubbers.

 

Boeiende en gevarieerde Historische Avond 21 maart 2019

Nadat de zaal volgestroomd was hield voorzitter Ton Frenken een korte inleiding over de activiteiten van de stichting en de inhoud van de avond. Hij introduceerde Fred Hoskens, die een presentatie hield over het werk van de Stichting Tijdslijn en met name over de ontstaansgeschiedenis van hun volgende theaterstuk : “Lèvensloop….en Trug”. Een verhaal over een gedwongen evacuatie in 1944 gebaseerd op authentieke dagboeken. Twee jaar lang heeft een werkgroep onderzoek gedaan naar de ervaringen van evacuees vanuit Milsbeek en omgeving aan het einde van de Tweede Wereldoorlog. Het theaterstuk hopen zij in oktober van dit jaar 10 keer op te voeren in Maria Roepaen. Daarna werd het lied: “Niet meer bang zijn” uit het theaterstuk ten gehore gebracht door Mauth en Ralph, twee leden van het gezelschap.

Nadat Ton Frenken de leden van Stichting Tijdslijn bedankt had met een fles St Jansberglikeur, werd het eerste exemplaar van het boek “Dagboek van Huub Franken” overhandigd aan Trudy Franken-Wijnhoven. Er is jaren hard gewerkt aan dit boek en de werkgroep heeft de geschiedenis van de evacuatie van Huub Franken en zijn verblijf in Werkhoven kunnen reconstrueren aan de hand van een gevonden dagboek in twee schriftjes en een aantekenboekje. Het boek illustreert, net zoals Stichting Tijdlijn in het theaterstuk wil laten zien, hoe zwaar het was om huis en haard te verlaten en niet te weten hoe je het terug zult vinden. Huub heeft maar kort geleefd na zijn terugkeer in Milsbeek: hij en zijn twee broers Grad en Chris, kwamen om bij de ontploffing van een landmijn op 15 juni 1945. Ter gedachtenis aan hen is er bij de Jasper Janne brug een herdenkingsmonument geplaatst.

De oorlogsgraven in Milsbeek, vanuit alle windrichtingen .
Een andere manier om naar de oorlogsjaren te kijken en er mee bezig te zijn, heeft motorrijder Paul ten Broeke.
Als hij door de omgeving rijdt weet hij waar welke soldaat gevochten heeft, gewond is geraakt en wat er daarna met hem gebeurde. Hun graven liggen op het kleinste oorlogskerkhof van Nederland, dat van Milsbeek. Pauls motivatie komt ook voort aan de wens om tegemoet te komen aan de wens van iedere moeder van wie een zoon gesneuveld is, nl “Weten dat het graf van je zoon bezocht wordt”. Hij zet zich in om de nabestaanden op de hoogte te brengen van het feit dat er voor de graven gezorgd wordt. Zijn ervaringen en bevindingen heeft hij vastgelegd in het boek: ”Tread Softly”.

Nadat Ton Frenken hem de St. Jansberglikeur heeft overhandigd, is er tijd voor een drankje, de aankoop van boeken en een onderling praatje.
De humoristische presentatie van de geschiedenis van het Lambertusgilde is het eerste onderdeel na de pauze. Hoofdman Oscar Huizinga en gildebroeder Grad Derks zetten met "De tijd van het St. Lambertusgilde" een geweldige presentatie neer met de onderwerpen: ‘In den beginne’ , ‘Hernieuwde bloei ‘, ‘Heroprichting’ en ‘De toekomst ‘.
Die geschiedenis gaat terug tot 1468, toen het gilde nog tot taak had de bevolking te beschermen, recht te spreken en voor de begrafenissen te zorgen. Na periodes van bloei en terugslag probeert het gilde nu nieuwe leden te werven om ook dit stukje cultuur te behouden en de huidige idealen van dienstbaarheid en broederschap uit te dragen.

Bestuurslid Teun Teunissen heeft zich bezig gehouden met de Mínse van de Bloemenstroat en kwam al snel tot de conclusie dat daar zoveel over te vertellen valt dat hij dat over twee jaar moet spreiden. Deze avond staat het noordelijk deel van de Bloemenstraat op het programma. Teun laat aan de hand van vele afbeeldingen zien wat er vanaf de Romeinse tijd allemaal gespeeld heeft in dit gebied. Vooral het deel waarin alle mensen die daar gewoond hebben aan bod kwam, kon op warme belangstelling rekenen. Er werd door het publiek zelfs nog een ontbrekend puzzelstukje aangereikt.

Iets na tienen sluit de voorzitter een geslaagde avond af na allen die het werk steunen hartelijk bedankt te hebben.

Stichting Cultuurbehoud Milsbeek (SCM) heeft een groot aantal schoolfoto’s waarvan er op dit moment 22 op de website staan. Deze dateren vanaf 1928 tot in de zestiger jaren.

Met het zoeken naar ontbrekende informatie, zoals bv. persoonsnamen, is eerder gebruik gemaakt van Facebook. Hiermee is in 2016 gestopt omdat dit niet effectief bleek te zijn.

Het project krijgt een nieuwe start. Tonnie de Ruijter gaat als vrijwilliger van SCM het vervolg oppakken.
Er wordt gestart met de oudste foto’s waarbij gekozen is voor een samenwerking met de Huiskamer Milsbeek. Samen met de bezoekers aan de huiskamer wordt gekeken of de ontbrekende informatie te achterhalen is. Ook wordt er gekeken of de beschikbare informatie juist is.
In een later stadium volgen fasegewijze de nog niet gepubliceerde schoolfoto’s.

De eerste bijeenkomsten van 2019 in de Huiskamer Milsbeek zijn gepland op:
- vrijdag 8 februari vanaf 13.30 uur (na het eten)
- vrijdag 22 februari vanaf 13.30 uur (na het eten)
- dinsdag 5 maart vanaf 14.00 uur (inloop)
- dinsdag 19 maart vanaf 14.00 uur (inloop)

Volgende bijeenkomsten worden gepland in overleg met de huiskamer.

Iedereen is welkom, ook de jongeren!

58 personen hadden zich aangemeld voor de jaarlijkse excursie voor vrienden, vriendinnen, vrijwilligers en hun partner/introducé. Omdat we niet allen tegelijk in het Smederijmuseum ‘De Smees’ terecht konden, werden de deelnemers opgesplitst in 3 groepen. Een groep op 6 oktober en twee groepen op 13 oktober. De excursies die de stichting organiseert hebben altijd betrekking op cultuur en historie. Vandaar dit bezoek aan de in ere gestelde smederij.

Ook dit jaar deed Stichting Cultuurbehoud Milsbeek mee aan de Open Monumentendagen (OMD) in het weekend van 9 en 10 september. Het thema was: ‘Boeren, Burgers, Buitenlui’.
In samenwerking met Stichting De Oude Pottenbakkerij organiseerden wij een tentoonstelling in museum De Jacobsladder. Er waren veel foto’s te zien van dorpsbewoners uit de vorige eeuw. Milsbeek was jaren geleden een dorp van keuterboertjes en dagloners. Over het leven, het werk, van deze mensen kon men tijdens dit weekend meer te weten komen. Tevens konden geïnteresseerden zich alvast inschrijven voor het boek ‘De minse op de Milsbèk’ dat op 19 november uitkomt.

Geplaatst mededelingen stichting Cultuurbehoud Milsbeek in het dorpsblad 'op de milsbèk'

Monumentenschildje gemeente Gennep
Het door keramiste Ghisleen Bakker ontworpen en vervaardigde monumentenschildje van de gemeente Gennep, met het wapen van Gennep erop, is onlangs door Ton Frenken, voorzitter van Stichting Cultuurbehoud Milsbeek aan de voorgevel van de parochiekerk Onze Lieve Vrouw van Altijddurende Bijstand te Milsbeek bevestigd.

Een ‘spannende gebeurtenis!
Het Trafohuisje aan de rotonde op de Rijksweg was al eens onderwerp geweest van een bouwhistorische toelichting op onze culturele avond. De reacties die dat teweeg heeft gebracht waren aanleiding om ‘ons huisje’ aan te kleden met de gietijzeren ‘steen’ en een mooi infobord met foto’s van de bovengrondse elektrische installatie. Met dank aan onze vrijwilligers Jan Wagelmans en Jan Spikmans o.l.v. Martien Holthuysen!

Boek 'Het Koningsven' is uitgebracht.

Donderdag 20 april 2017 vond de presentatie plaats van het boek 'Het Koningsven', zeer toepasselijk in eethuis De Diepen dat midden in het in het boek beschreven gebied ligt.
Gastheer tijdens de presentatie was Ton Frenken, voorzitter van de Stichting Cultuurbehoud Milsbeek. Ton heette de aanwezige genodigden welkom, waaronder

Persbericht

Op 20 april 2017 verscheen bij Uitgeverij Matrijs in samenwerking met Stichting Cultuurbehoud Milsbeek het boek :

Het Koningsven. Ontstaan, ontginning en herstel van een veengebied bij
Milsbeek, Ottersum en Ven-Zelderheide

Aan de voet van de Sint-Jansberg en het Duitse Reichswald komt een nieuw natuurgebied, het Koningsven. Dit uitgestrekte hoogveengebied wordt omgevormd tot een groot moerasgebied, naar voorbeeld van de situatie van honderd jaar geleden. Toen behoorde het Koningsven tot een van de mooiste moeras- en veengebieden van Nederland en genoot het een grote reputatie onder botanici uit Nederland en Duitsland door de aanwezigheid van zeldzame plantensoorten.

Het Koningsven dankt zijn naam aan de koning van Pruisen. Het gebied was lange tijd speelbal van Pruisische, Franse en ten slotte Nederlandse machten, die de vruchtbare natuur en haar mogelijkheden tot turfwinning hoog in het vaandel hadden. Maar de plaatselijke boeren moesten weinig hebben van de bemoeienis van hogerhand: zij wilden het gebied graag ontginnen voor de landbouw. Deze strijd is een rode draad in de geschiedenis van het Koningsven, die doorloopt tot na de Tweede Wereldoorlog. Het lokale bestuur heeft zich tot het laatste moment met hand en tand verzet tegen de aanwijzing van het laatst overgebleven stukje veen als natuurgebied.

Het Koningsven maakt de geschiedenis van het Koningsven in al haar facetten inzichtelijk. De auteurs hebben geput uit de vele historische gegevens die bewaard zijn gebleven. Het boek vertelt hoe het landschap is ontstaan, hoe het veen verscheen en hoe de bewoners door de eeuwen heen vorm hebben gegeven aan het landschap waarin ze leefden. Ook de natuurhistorie – de flora en fauna van toen en nu – komt uitgebreid aan bod. Door de toegankelijke teksten en prachtige illustraties kan de lezer zich een levendige voorstelling maken van het veen zoals het is geweest en zoals het in de toekomst weer kan zijn.

Bekijk op www.matrijs.com het inkijkexemplaar van de uitgave.

Boekinformatie :
Titel : Het Koningsven. Ontstaan, ontginning en herstel van een veengebied bij Milsbeek, Ottersum en Ven-Zelderheide
Nel van den Bergh, Henny Brinkhof, Fons Mandigers, Johan Thissen en Paul Thissen
224 blz., 22 x 28 cm, genaaid gebonden, ISBN 978-90-5345-517-3
Prijs : € 29,95
Uitgave in samenwerking met Stichting Cultuurbehoud Milsbeek
Te koop op www.matrijs.com en in de boekhandel.
Uitgeverij : Matrijs

Heeft u interesse in deze uitgave en wilt u een recensie-exemplaar en/of beeldmateriaal ontvangen? Neem dan gerust contact op via Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. en/of Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. of bel 030 - 234 31 48.

 

Kern met Pit is een door de Koninklijke Nederlandsche Heidemaatschappij (KNHM) georganiseerde wedstrijd voor projecten die de leefbaarheid in kernen, wijken en dorpen bevorderen. De wedstrijd wordt per provincie gehouden. De uitslag wordt bepaald door een vakjury, adviseurs van Kern met Pit. In Limburg vond de prijsuitreiking van de in 2016 gepresenteerde projecten op 21 januari 2017 plaats in Grathem.

Tijdens de laatste vergadering van 2016 hebben wij afscheid genomen van Leny Franken-Wijnhoven als bestuurslid en secretaris van Stichting Cultuurbehoud Milsbeek.

Leny is in de herfst van 2008 gestart met de Werkgroep Historie binnen SCM. Daar heeft zij samen met anderen een eerste aanzet gegeven tot het boek: “De Minse van de Milsbèk”.
Het toenmalige bestuur zag echter op enig moment in Leny een heel geschikte bestuurskandidate, tevens een potentiële kandidate voor het secretariaat. Op 1-2-2010 trad ze dan ook toe tot het bestuur met als taak: ondersteuning secretariaat. Zij was daarmee het eerste vrouwelijke bestuurslid. De Stichting had toen 62 vrienden/vriendinnen.

Op zaterdag 28 maart hebben bestuursleden en vrijwilliggers van de stichting Cultuurbehoud Milsbeek deelgenomen aan het project Schone Maas Limburg van Rijkswaterstaat en de provincie Limburg.
Het doel was om het afval in rivieren na hoog water en de plastic soep met zoveel mogelijk betrokkenen op te ruimen in de provincie.
In de gemeente Gennep werden ook de Niers en enkele andere plekken bij het project betrokken.

Er deden 37 partijen mee in de gemeente Gennep en hieraan houden we als stichting nog een kleine vergoeding aan over.

Aan ons viel de eer om het stuk van het niersvallei tot aan de brug van de rondweg aan de zijde van Ottersum op te schonen.
Nadat we ons hadden gemeld bij de gemeentewerf en voorzien van handschoenen, vuilniszakken, grijpers en prikstokken zijn we naar de locatie gegaan.

Het drassig terrein was wat moeilijker te doorlopen, maar veroorzaakte toch wel bij sommige natte voeten.
Er werd van alles gevonden van bierblikje (vol), verkiezingsposters, rugwervel van een dier, glas etc. etc.
Het meeste afval was te vinden nabij de niersbrug (highlanderbridge)
Na enkele uren afval te hebben verzameld mogen we terug kijken naar een leuk project.

Het huidige kerkbestuur van de drie parochies heeft een eerder gemaakte afspraak tussen onze stichting en het toenmalige kerkbestuur van Milsbeek bekrachtigd dat de pastorie, kerk en het kerkhof op de gemeentelijke monumentenlijst zal komen.
Dit betekent voor Milsbeek dat er aan de buitenzijde van deze gebouwen geen veranderingen mogen worden aangebracht, die de uitstraling van de gebouwen wezenlijk zal veranderen. Hier zijn wij als stichting natuurlijk erg blij mee.

Een zaak waar wij minder blij van worden (maar niet veel aan kunnen doen) is de verdere verloedering van enkele karakteristieke boerderijtjes. Door inzet van onze stichting en met hulp van de gemeente is het voor de eigenaren mogelijk om van deze boerderijtjes weer woningen te maken.
Helaas zijn enkele van de huidige eigenaren thans niet bereid om aan de door ons en gemeente gestelde uitgangspunten te voldoen. Dit behelst o.a. herbouw op dezelfde plek en handhaving van de uitstraling van de woning. Wij hopen dat het in de toekomst toch tot herbouw van deze boerderijtjes gaat komen en dat ons dorpsgezicht hierdoor verder zal verfraaien.

Op zondag 4 januari is er een uitzending van het programma Culthis op NIMA radio. In dit programma zal onze stichting ruim aan het woord komen over vele zaken die wij gedaan hebben en onderwerpen die wij in de toekomst aan de orde willen stellen.
Aan u een oproep om te luisteren op zondag 4 januari om 20.00 uur.

Onze stichting bestaat bijna 10 jaar en dat betekent dat er wel eens bestuurswisselingen zijn. Na een periode van 8,5 jaar neemt Cees van de Ven afscheid van ons bestuur. Cees heeft zich steeds met hart en ziel ingezet voor onze stichting. Hij hield zich vooral bezig met zaken op het gebied van foto en film. Tevens was hij de tekenaar van diverse uitingen van onze stichting in boeken en voor tentoonstellingen. Ook het ontwerp van het etiket van de St. Jansberglikeur is van zijn hand.
Wij danken Cees voor zijn inzet voor onze stichting. Wij hebben het geluk dat hij als vrijwilliger diverse werkzaamheden blijft verrichten.  
Teun Theunissen treedt op 1 januari 2015 officieel toe tot het bestuur en binnen het bestuur worden de taken herverdeeld. Wij wensen Teun veel succes met zijn werkzaamheden voor onze stichting en voor de inwoners van Milsbeek.     

Noteer in uw agenda :
Donderdag 26 maart 2015, 19.30 uur Historische avond in het Trefpunt.
Zondag 8 november 2015: viering van het 10-jarig jubileum van onze stichting in het Trefpunt.

Inmiddels heeft onze stichting bijna 150 vriendinnen/vrienden.
Als u de 150ste bent, ontvangt u een leuke verrassing!!

Wij wensen onze vrienden, dorpsgenoten en alle anderen
Fijne Kerstdagen en een Gezond 2015.              

Tijdens de laatste vergadering van 2014 hebben wij afscheid genomen van Cees van de Ven als bestuurslid van Stichting Cultuurbehoud Milsbeek.
8,5 jaar heeft hij zich steeds met volle overgave ingezet voor de stichting.
Zaken waar Cees zich vooral mee bezig heeft gehouden:

  • Filmen voor de stichting
  • Film- en fotobewerking voor de historische avonden
  • Ontwerpen van de omslagen van de uitgegeven boeken van de stichting
  • Tekeningen maken voor diverse kaartjes. Het ontwerp van het etiket voor de St. Jansberglikeur is ook van zijn hand.
  • Taalcorrectie toepassen voor/van stukken van de stichting.
  • Het beheren van de website (voordat John van de Ven dit van hem overnam)
  • Beheer digitaal archief
  • Registreren en fotograferen van graven op de Rooms Katholieke Begraafplaats.
  • De voorzitter afremmen als die weer nieuwe plannen wilde ontwikkelen en diens plaats innemen als hij verhinderd was

Cees was en is veelzijdig en op allerlei fronten inzetbaar. Gelukkig heeft hij toegezegd dat hij alle lopende zaken zal afhandelen en dat hij als vrijwilliger actief wil blijven voor Stichting Cultuurbehoud Milsbeek.

Cees bedankt daarvoor, maar vooral onze welgemeende dank voor je tomeloze inzet al die jaren, voor alle werkzaamheden die jij als bestuurslid hebt verricht.
Geniet, in goede gezondheid, samen met Nellie van je vrije tijd!

Deel 3  van 3

Evacuatieperiode in Achttienhoven en de Terugtocht van de Familie Peters Oudedijk 2 Milsbeek.

Toen we eind oktober 1944  door Grietje Lam ontdekt werden bij de wasserij Gruno in Achttienhoven konden we snel neerstrijken in één kamer met noodbedden op de vloer. De volgende ochtend zaten we met 17 mensen, groot tot heel klein rondom een immens grote tafel. Liesbeth, (12 jaar)naar later bleek, had voor allen de boterhammen gesmeerd. Het was buiten hartstikke koud en regen en windvlagen waren niet van de lucht, Ook binnen aan tafel leek het koud en stil. We waren bedrukt want vader was er niet meer bij. Diezelfde dag werden boven de koeienstal twee bedden, waarschijnlijk van de knechten, in orde gemaakt, Onder lagen takkenbossen en daarop stro. Weer daar bovenop lag een soort dikke molton deken en daarop kwamen de dekens. Mijn broers Gijs Cor en ik hadden één bed dat leek op een alkoof en naast ons hetzelfde met mijn oudste zus Marie en Martha. Moeder en Ida mochten in de  kamer waar we de eerste opvang hadden, blijven slapen.

Ida in de kinderwagen en moeder in een tweepersoons bed. Direct moest de huisarts komen want Ida, 9 maanden jong, hield geen eten binnen. Huisarts Broere uit Achttienhoven kwam en nam meteen maatregelen. Hij praatte met Moe (Lam) en zei dat ze de baby rijstewater moest geven. Hij wist goed dat er gehamsterd was. Al snel ging het met Ida veel beter.
Altijd werd er gebeden vóór en na het eten. Alleen`s avonds was de oudste zoon Willem aan tafel. De rest van het etmaal zat hij in zijn eentje verborgen op de zolder in de schuur achter heel veel pakken stro. Daar kwamen we pas veel later achter.
We wisten niet dat er nog een onderduiker was en kregen die ook niet te zien.
Na enkele dagen was het Allerheiligen. Met z”n vieren gingen Marie, Henk en Gijs en
Cor te voet op weg naar Maarssen op weg  naar een R.K. kerk. Weer rotweer.
Waar vader was gebleven wisten we niets van. Het Rode Kruis was op zoek en we moesten geduld hebben. Het waren ook voor de Rode Kruis - mederwerkers heel hectische toestanden omdat alles in één keer door elkaar gegooid werd.
Iedere zondagmorgen gingen we naar een rk kerkdienst die in een soort gemeenschapshuis werd gehouden. Na een maand mocht ik misdienaar worden. Wie daar schuld aan heeft gehad weet ik niet. Een misdienaar, Jantje van Rooijen  op de Gageldijk in Westbroek was al een ervaren misdienaar, en die heeft mij toen het een en ander bijgebracht. In november 1944 begon het flink te vriezen, het begin van een lange koude Hongerwinter. Alle sloten in de poldesr waren bevroren. Zoon Adriaan Lam en ik gingen samen veel op de schaats. Later bleek dit voordelen te hebben. Er waren geregeld razzia’s. Dan vluchten alle mannen vanaf 16 tot 60 jaar de polder in. Het verschil in hoogte  tussen het maaiveld en het ijs was miniem. De mannen vluchten dan naar de dwars-sloten in de polder en bleven op het ijs liggen
Op de dijk, waaraan alle boerderijen gelegen waren, gingen de bezetters huis voor huis op zoek naar de mannen in de leeftijd van 16 t/m 60 jaar.  Als kinderen wisten wij wanneer ze bij bepaalde boerderijen geweest waren en dan gingen wij op de schaats de polder in om de verkleumde mensen te waarschuwen waar ze veilig naar toe konden gaan. Ook bracht ik blaadjes van het verzet rond. Jongen van 13 jaar met korte broek die valt niet op. Van twee mannen kreeg ik later hiervoor een zilveren dasspeld en een zilveren rijksdaalder. Toen droeg ik nog geen stropdas voor die speld. Inmiddels was bekend geworden dat vader bij Arnhem  loopgraven voor de bezetter aan het graven was. Dit bericht kwam via het Rode Kruis. De winter was toen heel koud maar wij hebben geen kou geleden omdat we in de stal  boven koeien lekker warm lagen. Honger hebben we ook niet geleden.
Vlak voor de kerst waren we op de sloot aan de dijk – de hoofdstraat -  van Achttienhoven op het ijs aan het schaatsen.  En…………………..ineens zagen we drie mannen met wandelstokken aankomen en ja hoor vader was erbij.Wij gauw moeder en alle anderen gewaarschuwd. Vader, Wim van Schaijk, een oom van nu mijn vrouw Fien,  en Herman de” Petjes´, Thiessen, waren met z’n drieën, van Arnhem naar Achttienhoven gewandeld. Van vreugde werd er gehuild. Vader was er weer bij..
Wim en Herman gingen al snel door richting Westbroek, waar ook hun familie wachtte. Na de Kerst zou vader terug moeten ! Dus mooi niet.
Vooral ’s nachts kwamen er steeds meer V-2’s overvliegen, richting Londen en Antwerpen. Daar was ik heel erg ban voor omdat er in Milsbeek bij Manus Laracker , onze buurman, toen al een V1 gevallen was. Boven Achttienhoven-Westbroek waren het geen V.1 s meer maar allemaal V-2 s. Toen ik hoorde dat er een V 2 bij Diemen gevallen was bij familie van onze Boer Lam en waar een familielid verongelukt was, toen werd de angst alleen maar groter. Op een nacht  ergens in januari 1945 moest  mijn zus van 6 jaar,  naar de WC . Zij stapte toen  naast de trap en viel op de stenen  vloer voor de voerbak van de koeien..   Alles in repen roer. De tussendeur van de stal naar het woonhuis konden we eerst niet open krijgen. Die was vanuit het woon huis afgegrendeld   Eindelijk kwam er hulp. De dokter gehaald midden in de nacht.
 Hersenschudding. Dat kon er nog wel bij nadat ze onderweg in Scherpenzeel al zo ongelukkig op het wegdek terechtgekomen was doordat een Duitse wagen de kar van Jan Spikmans aanreed. Bij boer Lam werd een varken geslacht en toen dacht ik, was grootmoeder Franken  maar hier. (de grootmoede van Fien) Dan kregen we lekkere `prullekes` van bloedworst of leverworst. Dat waren piepkleine lever- of bloedworstjes. We wisten in ieder geval allemaal dat we wat lekkers op de boterham kregen. In die tijd kwam een oud buurmeisje van ons uit Milsbeek   bij boer Lam aan de zijdeur. Toevallig deed ik open. Oh, wat was die mager en ellendig om te zien. Ze vroeg aan mij om een boterham. Dat kon niet want dan moest moe Lam ingeschakeld worden. Dus ging ik als een dief stiekem naar de kelder greep daar wat van het gesneden gekookte spek van het pas geslachte varken en gaf het haar. Wat was dat vlug naar binnen. Zij leek half verwilderd toen ze aan het schrokken was.
De varkensblaas mochten we hebben om mee te spelen. We waren in de schuur, ik ving de blaas en rende naar buiten. Daar ging ik onderuit in de natte sneeuw. Met mijn rechterarm ving ik me op. De arm boog niet naar binnen maar naar buiten. Naar dokter Broere die met geweld de arm in de juiste stand terug duwde. Daarna naar het ziekenhuis in Utecht aan de Catharijnesingel bij het station. Alles lopen.
Moeder en ik liepen van Achttienhoven naar  Utrecht. Via de Achterwetering kwamen we bij de weg van Hilversum naar Utrecht.  Langs de spoorlijn via Fort Blauwkapel  ging het naar het centrum van Utrecht. Daar werd de arm in het gips gezet. Op de terugweg kwamen we weer langs de spoorlijn en ja hoor, vlak bij de Achterwetering waar we af moesten slaan, dus weg van de spoorlijn, kwamen twee spitfires .Die beschoten met hun geschut de spoorlijn. We doken een schuttersputje in, half vol water. O hemel, mijn arm met gips. Viel mee. Na zes weken weer terug en weer moest de arm opnieuw in het gips. Bij het verwijderen van het gips ging men met een schaar vanaf de pols tot aan de elleboog door mijn vel!  De arm was niet in orde en moest opnieuw in het gips. Ik had geleerd. Toen het gips hard was heb ik eerst mijn handen vrij gepeuterd en vlak bij de oksel ook wat weggehaald van het gips.  Al vrij vlug kon ik weer helpen met melken. Van de 24 koeien kon ik er zes melken, dat is vier meer dan bij ons thuis., want we hadden er maar twee.
Half januari was er weer een razzia. De twee oudste zonen van de boer Willem en Kees vluchtten door de polder richting De Hollandse Rading, naar familie. Omdat zij de hele dag wegbleven, gingen Grietje de oudste dochter van Lam die hoogzwanger was, en ik samen op zoek naar Willem en Kees, dwars door het weiland. Onderweg ging Grietje onderuit. Weer een zorg erbij. Zij was heel stil. Bij de familie aangekomen in De Hollandse Rading bleken de mannen er niet meer te zijn.Binnen in bommenwerperWij weer terug . De broers waren al thuis. De val van Grietje had gelukkig geen nare gevolgen. In februari was er de zoveelste razzia. De bezetter moest zoveel mogelijk arbeidskrachten zien te vangen voor allerlei oorlogsdoeleinden. Deze keer was
buurman Jan Lensink, 32j jong en vader van vier kinderen, er ook bij. Hij  sloeg op de vlucht Hij rende de struiken in  Dat was in Westbroek. De Duitsers schoten hem op de vlucht dood.  ‘s-Avonds laat werd buurman Jan bij ons, dus bij boer Lam in de schuur gebracht. Daar is hij toen opgebaard. Na enkele dagen werd hij  in Vleuten begraven. De familie Lensink was namelijk het enige katholieke gezin in Achttinehoven en daar was geen katholieke kerk.
Begin maart werd besloten door pa Lam in overleg met mijn vader, dat er met paard en wagen aardappelen gehaald moesten worden in de buurt van de Gelderse IJssel.
Bij ons in Achttienhoven  waren de meeste aardappelen in de grond door water aangetast en keken grijsblauw. Vader met nog een andere man uit  Achttienhoven gingen samen op pad. Dit was begin maart ’45. Op de terugweg in de buurt van Barneveld werd vader en de andere man met paard en wagen van de weg gehaald. SS ers  renden heen en weer en vader en zijn metgezel moesten tegen de muur gaan staan. Een vuurpeloton kwam aangerend. In al die drukte kwam een hoge Duitse Officier naar buiten en begon te schreeuwen tegen de SS.ers.
Al de geweren gingen neer en vader was weer gered. Ze konden hun weg richting Achttienhoven vervolgen.. Wat was er gebeurd? Er was een aanslag op Rauter gepleegd bij de Woeste Hoeve bij Apeldoorn. Rauter was de leider van de  SS in Nederland. (Daar,bij de Woeste Hoeve zijn toen 117 mensen geëxecuteerd )
Toen vader en bijrijder  bij de Achterwetering , gemeente Maartensdijk, aankwamen werden zij door een familie van Doorn gewaarschuwd om niet verder te gaan want in Achttienhoven-Westbroek  was weer een razzia aan de gang  Wellicht vanwege de aanslag. De oudste dochter van de familie van Doorn, Riek werkte bij de weduwe Lensink sinds Jan doodgeschoten was. Beide families hadden nog een geheime telefoon.Weduwe Lensink, die tegenover boer Lam woonde, kwam vertellen dat vader en bijrijder  bleven overnachten in de Achterwetering. Nog maar 3 km van huis. Paard en wagen waren bij een boer daar ondergebracht. De volgende dag kwamen de  twee voermannen aan met de aardappelen.
8 April ’45 was onze jongste broer Cor jarig. Bij Kees Stam. de buurman van boer Lam, hadden ze een nest met jonge honden en Cor die nog al eens een keer daar was om met  de jongens van Kees Corstanje te spelen, kreeg een jong hondje na heel veel overleg met de familie Lam en Peters. Zij hadden zelf al een grote herder Bello. Het hondje moest dan maar achter de boerderij in de karschop achter een grote hoop kaf gaan wonen. Hij werd Nero genoemd.  
In die tijd trouwde Grietje Lam en wij mochten allemaal mee naar de grote Nederlands Hervormde Kerk in Westbroek. Allemaal in koetsen,  de getuigen voorop. Dit waren de oudste broer Willem en de vriendin van de bruid. In de kerk hoorden we een dominee en er werden heel veel psalmen gezongen. Ook werden heel veel foto´s gemaakt Een ervan is de foto van de familie Peters, Oudedijk 2 Milsbeek.
Deze foto staat in het boek Oorlogsherinneringen Milsbeek.
Intussen ging het landleven door. Honger hebben wij nooit geleden. Bij Boer Stam naast ons moest gedorst worden. Adriaan Lam en ik gingen meehelpen. Wij zaten heel hoog in schelf en gooiden de garven naar beneden. Opeens ontdekten we een oud nest met eendeneieren. Kees Corstanje  die beneden de garven opraapte en naar de dorsmachine binnen moest brengen kreeg twee van die rotte eieren vlak voor zijn voeten gesmeten. Wat was die kwaad vanwege de stank. Zijn hoofd werd rood en dik. Adriaan en ik zaten veilig. In april werden voedseltransporten door vliegtuigen afgeworpen, een gift van het Zweedse Rode Kruis. Op zondag werd achter de kerk in Westbroek wittebrood uitgedeeld. Marie, mijn oudste zus stond ook in de rij en werd door moe Lam na hun kerkdienst uit de rij gehaald. Marie gaf niet bij en er kwam een fikse ruzie thuis vooral tussen mijn vader en moe Lam. Helaas. Nog diezelfde dag zijn we naar de weduwe Lensink verhuisd. Daar lagen we hutjemudje bij elkaar. Toch bleef ik alleen nog wel contact houden met de familie Lam. Geen bezwaar van mijn ouders. Later zijn de contacten weer hersteld en duren nu nog voort. Kort daarna kwam de bevrijding. Wij allemaal de straat op. De berichten sijpelde door dat de overgave in Wageningen was getekend. Dat was 5 mei 1945.
Meteen ging de ondergrondse de Duitse soldaten in Westbroek ontwapenen. Wat de ondergrondse niet wist was dat de Duitsers nog telefonisch contact  hadden met het hoofdcommando van hun in Maartensdijk. Deze kwamen met gevechtswagens via Achterwetering en Achttienhoven richting Westbroek. Wij dachten dat het de bevrijders waren en renden hen tegemoet. Ineens bleek aan de dreigende houding van de soldaten die aan weerskanten van de weg liepen met hun geweer in de aanslag, dat het de Duitsers nog waren. Daarna hoorden we urenlang schieten in  de buurt van de kerk en het postkantoor waar het hoofdcommando van de ondergrondse  zaten. De bevrijding was getekend en het resultaat was nog 13 doden in Westbroek. Palingvisser Dirk de Graaf had zijn beide zoons verloren.
Na enkele dagen is vader naar het Gemeentehuis in Hiversum gegaan en verteld dat hij bij Rijkswaterstaat werkte. Hij vroeg en kreeg een machtiging om huiswaarts te keren. We moesten wel 150 oorlogsguldens betalen voor een boer met platte wagen. Die was heel snel geladen want we kwamen en gingen met handbagage en de kinderwagen van Ida. Er was wel één levend wezen bijgekomen… Nero

DE TERUGKEER KON BEGINNEN.
De platte wagen bracht ons tot Wageningen en daar hield het op. Dus liften. Al heel snel stopte er een wagen waar Nederlandse soldaten op zaten. Die was van de Prinses Irene Brigade. Zij hebben ons in Oosterbeek afgezet vlak bij het politiebureau en daar konden we meteen overnachten. Familie Peters in de cel.
De volgende morgen zijn we richting Arnhem gelopen en moesten we Nero om beurten dragen. Hij was nog te klein voor zo´n lange tocht. Bij Arnhem kregen we weer een lift van een militaire wagen maar ik weet niet meer van welk onderdeel deze militairen waren. Ze hebben ons na diverse aanhoudingen onderweg door controleposten op de Sint Annastraat in Nijmegen neergezet.
En toen………..  Lopen, richting  Molenhoek Wat was er door het oorlogsgeweld een hoop kapot geschoten langs de weg.  Eindelijk…..eindelijk     Molenhoek  Ome Grad   Ome Toon - Ouderlijk huis van Tien Peters.(mijn vader) Veel huilen, veel praten veel vragen en dan ?  Verdelen over de Familie, Marie naar peettante in Malden, Henk te voet naar  Nederasselt.  Oom Eduard Peters zou mij met de fiets achterop komen tot aan de plaats van bestemming. Direct nadat ik Heumen doorgelopen was kreeg ik een steen tegen mijn hoofd  bij de eerste boerderij rechts richting Overasselt. Toen ik door mijn oom ingehaald werd vlak bij Nederasselt schrok hij van het bloed op mijn gezicht en hoofd. Bij Ome Jan en Tante Ton in Nederasselt aangekomen weer een nieuwe en lange huilpartij en vragen en nog eens vragen. Gijs bleef bij vader en moeder samen met Ida, Toen de kinderwagen het erf opreed bij Ome Grad, zakte hij door een wiel.  Het is volbracht!  Cor ging naar Ome Hend Peters in Heumen en nam Nero mee. Martha stak de weg over en kwam bij Ome Chris Peters aan de Molenhoek terecht. Nog niemand had Milsbeek bereikt.  Vanaf  de landing 18 september 1944 tot augustus 1945 hadden wij kinderen geen onderwijs meer gehad. Eerlijk gezegd misten wij het ook niet.

Deel 2  van 3


Henk Peters was in 1940 negen jaar oud. De familie Peters verpachtte in 1951 hun boerderijtje aan tuinder Sjef van den Bercken en vertrok naar Meijel maar keerde na afloop van het pachtcontract weer in Milsbeek terug. Henk volgde de Sociale Academie in Tilburg en trouwde met Fien Franken. Hij woont momenteel in Leende maar heeft altijd een band met zijn geboortedorp gehouden. In 2004 heeft hij geheel
op eigen initiatief zijn oorlogsherinneringen op papier gezet en heeft deze aan ons  beschikbaar gesteld. Zijn herinneringen zijn geknipt en worden in een paar delen op de website geplaatst. De verhalen zijn ook opgenomen in het uitverkochte boek “OORLOGHERINNERINGEN MILSBEEK”. Zijn verhaal over de lange, barre (evacuatie)tocht volgt later. De penseeltekeningen zijn van Jan Koenen

Inval en bezetting op de Oudedijk
Door Henk Peters

Op 19 oktober 1944 was het zover. We hadden alleen maar handbagage en de kinderwagen waar mijn jongste zusje van negen maanden in lag. Omdat enkele dagen voor het vertrek de SS geprobeerd had ons varken te vorderen ging moeder naar de Duitse commandant die nog steeds de commandopost in de slaapkamer van vader en moeder hadden.  Er werd geschreeuwd tegen elkaar maar het varken bleef in de stal. Nog diezelfde avond kwam buurman Herman, die huis-slachter was, het varken slachten.
 
Omdat we thuis een heel grote schouw hadden, werden de hammen en zijden spek daar in gehangen en gingen de blikken platen er weer voor. Zo op het eerste oog kon niemand zien dat daar een deel van het geslachte varken hing. Daags voor het vertrek was er grote activiteit  bij de familie Peters. Iedereen liep iedereen in de weg. Ik ben toen naar het kippenhok gegaan en in mijn eentje heb ik daar op de knieën zitten huilen. Komen wij hier ooit nog terug? Toen we op de bewuste negentiende oktober moesten vertrekken hadden vader en moeder de holle bodem van de kinderwagen  vol geladen met ham en spek. Dit was ons gezamenlijk vervoermiddel. 19 oktober 1944 was het startsein voor een lange maar ook barre tocht. Een groot gedeelte van Milsbeek moest weg uit de frontlinie. Rond 10 uur in de morgen gingen we met zijn allen op weg via de Oudedijk naar de Onderkant en daarna naar de brug bij grootmoeder Franken (grutmoet). Dat straatje heette toen Jasperjannebrugstraat en de brug over de Kroonbeek heet nu nog de Jasperjannebrug. Toen wij bij Driekus Peters (van Nölleke) uit de Zandberg aankwamen zag ik allerlei dingen tegelijk. Nel, de vrouw van Driekus, had een geit bij zich en die hadden ze aan de kruiwagen vastgemaakt. Ondanks alle ellende kon deze volslanke vrouw nog heerlijk  lachen.

 Misschien wel van de zenuwen! Wij hadden een kinderwagen, zij een kruiwagen. Daar zat wel iets meer op dan in een kinderwagen. De familie De Ruyter van de Berkenhoeve had twee paarden ingespannen. Een voor de sjees, waar de oude  moeder De Ruyter in zat en een paard voor de kar, goed volgeladen. Het paard en de sjees werden door de bezetters in beslag genomen. Ook zag ik daar de vader en moeder van mijn klasgenoot en schoolvriend Theo Mooser. Vader Mooser had ook een kruiwagen, maar daar zat geen geit aan vastgebonden. Aan de kruiwagen zat wel een heel erg mopperende man. Ja, zo was hij nou eenmaal. Misschien was de kruiwagen ook wel een tikkeltje te vol geladen en de vader van Theo was een zwaar astmapatiënt. Omdat ik heel lang met Theo bevriend ben geweest  wist ik dat de vader van Theo na de oorlog geen last meer had van astma totdat hij weer flink aankwam in gewicht. Langzaam zette de stoet, die inmiddels veel groter geworden was, zich richting Aaldonk in beweging. We werden begeleid door een Duitse militair op een fries paard. Dat paard zal wel de Nederlandse nationaliteit hebben gehad.  Overigens was de soldaat op het paard altijd heel vriendelijk tegen ons,  net zoals de Duitse soldaten die bij ons in het achterste gedeelte van het huis gelegerd waren. Heel gewone mannen die moesten! Vanaf Milsbeek gingen we via Kroefsen Hen naar Aaldonk en daarna via  Ven-Zelderheide naar de grensovergang bij de Hekkens. Vlak voor de grens liepen heel veel koeien en ander vee bijeengedreven in een wei. Onze koeien, ons vee, ik zag het  maar wist niet hoe ik er verder over moest gaan denken. Kort nadat we de Nederlands-Duitse grens overgestoken waren begon het flink te regenen en te onweren. We waren in de kortste keren zeiknat. Iemand van ons duwde de kinderwagen met mijn zusje Ida. Moeder en ik liepen gearmd, of beter gezegd elkaar vasthoudend, te janken in dat rotweer.
 
Langzaam naderden we met zijn allen Goch. Verschillende bewoners van Milsbeek zagen over de grens ook weer familieleden. Het was een droef weerzien. In Goch werden we naar een school  geleid en daar konden we de eerste nacht van onze evacuatie doorbrengen. Het was er in ieder geval warm en zo konden we onze kleding drogen. Alles moet daar redelijk goed geregeld zijn geweest anders had ik het misschien wel opgemerkt. Hoe we daar geslapen hebben weet ik niet meer. We hebben in ieder geval de kleren niet uit gedaan. Van verstrekte dekens of iets van dien aard kan ik me ook niets herinneren. We hadden toen van Milsbeek naar Goch al ongeveer 20 kilometer afgelegd. De tweede dag gingen we van Goch naar Kalkar, enkele kilometers voor de Rijn. Enkele wat grotere jongelui gingen het prikkeldraad over met een pannetje in de hand achter de koeien aan. Ze probeerden wat melk te vangen want er waren ook hele kleine kinderen bij ons. Ondanks alle ellende konden we toch, zij het met moeite een lachje opbrengen. Toen we in Kalkar aankwamen werden we naar een heel groot gebouw gebracht. Het was een soort gemeenschapshuis.
 
Voor was een heel groot podium en achter, tegen een blinde muur een piepklein balkonnetje met een heel steile wenteltrap naar boven. Groot genoeg voor 4 personen om te kunnen liggen. Ons buurmeisje Miem Kusters had samen met haar vrijer, zoals we dat toen noemden, snel bezit genomen van die hoge plek met nog twee andere personen van ongeveer gelijke leeftijd. Volgens mij en mijn leeftijdgenootjes gingen die daar scharrelen. Wat we de tweede dag gegeten hebben weet ik niet meer. Wel weet ik dat heel veel van ons  diarree hadden. Met een rotvaart schoten we dan naar buiten naar een  moestuin achter dat grote gebouw. Aan de tomaten die nog aan de stengels hingen konden we zien dat we niet de eersten waren. Toen we met zijn allen eenmaal lagen, gekleed en wel, begon vooraan in de zaal vlak tegen het podium aan een herrie tussen Marie van Sjang Mans de schoenmaker , oftewel Marie Fen, en de familie Gietemans die zich boven op het podium letterlijk en figuurlijk hadden genesteld. Marie, moeder van een stuk of acht kinderen, had de boterhammen voor de volgende dag gesmeerd, maar nog niet ingepakt. De familie Gieteman had ook opa bij zich. Als kinderen wisten wij toen al dat Gradje Gieteman aan het “verkindsen’ was. Gradje had hoge nood en had zijn plasser in de aanslag, richting de boterhammen. Marie krijste steeds harder en toen kwam Friette Grad, de eierhandelaar uit Milsbeek zich met de zaak bemoeien. Eigenlijk heette hij Gerrit Peeters. Omdat hij lid van de Partij was, mocht hij van de Duitsers zich een beetje als leider van de armzalige troep opwerpen. Hij riep Bernard Gieteman, vader van een gezin van  naar ik meen  vier kinderen, tot de orde. Hij schreeuwde toen: “ Bernard, als jij niet voor die-en ouwe kunt zorgen dan zal ik het wel eens doen”.  Moeder  Gieteman  was een stadse juffrouw uit Den Haag. Die zat er bij en keek er naar. Zij kon toch niet tegen die dorpelingen op. Bernard lette verder beter op opa Gradje en de rust was terug. De afstand Goch – Kalkar  die wij de tweede dag af hadden gelegd was 13 km. De derde dag gingen we weer op pad, nadat iedereen, ook de boeren die paard en wagen bij zich hadden, zich verzameld had. Dat  gedoe met paard en wagen, het verzorgen van de dieren  en zo, daar weet ik niets van. Het voetvolk werd het eerst opgehokt, ook het eerste naar buiten en daarna wachten totdat de mensen met paard en wagen zich bij ons aan- sloten. Tot aan de Rijn was het maar enkele kilometers. De dag begon voor sommigen goed. Toen de stoet langs een mooi burgermoestuintje kwam, stapten een paar van de opgeschoten jongelui over de draad en kwamen met worteltjes terug. Of wij nou wel of geen wortel kregen, het was voor allemaal een opsteker. De eigenaar van het tuintje ging tekeer maar als antwoord kreeg hij te horen dat wij alles kwijt waren. Kort daarna kwamen vliegtuigen de karavaan vluchtelingen aanvallen. Zij doken vlak voor de Rijn, waar we stonden te wachten voor de oversteek, op ons neer. Een meisje van Jacobs van de Panoven, vlak bij ons, werd door een kogel in de rug getroffen. Zij was toen 18 jaar en werd voor haar verdere leven tot een rolstoel veroordeeld. De beschieting was maar heel kort en vanaf dat moment  moesten alle boerenkarren een witte vlag of kussensloop aan een stok op de kar hijsen. We hebben geen last meer van beschietingen gehad. Nadat we heel, heel langzaam de Rijn overgezet werden,  ging het richting Rees. Daar konden we al zien dat de vliegtuigen hun werk gedaan hadden. Van Rees gingen we richting Emmerich vlak aan de Nederlands-Duitse grens. We moesten om Emmerich heen want  de stad zelf moest zwaar getroffen zijn. Vanuit de verte konden we wel wat hoge gebouwen zien, die beschadigd waren door bombardementen. De weg waarover wij moesten gaan was door en door slecht met heel diepe karrensporen en modderig door de regenval van de laatste dagen. Ja, en nu komt mevrouw Gieteman door de bocht. Hun kar schudde en wiebelde verschrikkelijk, net als alle andere karren natuurlijk. Maar zij had kennelijk thuis haar servies op de kar geladen!  Want ze schreeuwde tegen haar man Bernard over dat servies, dat niet mocht verongelukken. Deze dagtocht was een heel lange en zeer vermoeiende tocht. Als dertienjarige jongen kun je heel wat hebben, maar dit was wel erg veel. Om maar niet te spreken over  wat de  veel jongere tochtgenoten te verduren hadden. Als het echt niet meer ging, werd er gewisseld met diegenen die op een kar zaten en wij mochten dan ook een tijdje meerijden. Ik denk de meesten van ons niet wisten waar we heen gingen. Oh, wat waren we blij dat we de grens overgingen en in ’s-Heerenberg IN NEDERLAND aankwamen. Weer een beetje thuis, omdat we met zijn allen dachten dat we afgevoerd zouden worden. In ’s-Heerenberg werden we ingekwartierd in een kasteel . We zijn daar meen ik twee dagen blijven overnachten. Als ik me niet vergis, mochten er een paar van onze familie bij particulieren gaan eten. Zeker weet ik, dat  een laantje bij het kasteel Nachtegaallaantje heette. De afstand van Kalkar naar ’s-Heerenberg die we die dag af- gelegd hadden is 31 km. De vierde dagtocht ging van ’s-Heerenberg naar Doesburg. Voor de eerste keer werd de stoet opgesplitst in voetgangers en mensen met paard en wagen. De voetgangers werden in goederenwagons gepakt. Niks stoelen maar ook niet door de modder lopen. Opeens kwam de trein met een schok tot stilstand. Een wagon was ontspoord. Geschreeuw van schrik en angst. Ja, er waren gewonden. Gelukkig geen doden. Een ernstig gewonde was Huub Rutten, een zoon van Toon Rutten die naast de R.K. kerk woonde. Toon werd in Milsbeek met de bijnaam Toon Karroeng genoemd. Helaas moest Huub een been tot boven zijn knie missen. Na lang wachten in Doesburg kwamen de karren weer bij ons. Vandaar ging het richting Velp, om te overnachten. Maar voordat we daar waren zagen we langs de weg allerlei kapot oorlogsmateriaal liggen en ook nog kadavers van drie paarden. We kwamen in Arnhem langs een buitenwijk waar mijn vader van deur naar deur ging om voor een beetje melk met suiker te bedelen voor zijn jongste dochter van negen maanden. Die was er zo slecht aan toe, dat alles wat ze binnen kreeg er vrij vlug weer uitkwam. In Velp aangekomen werden we onder gebracht in een of ander gek gebouw. We kregen daar kapucijners te eten. Die hadden ze waarschijnlijk op het fornuis gezet toen ze ons aan zagen komen. De dagen in Velp waren steeds goed gevuld. Na het eten meteen naar bed. In dat gekke gebouw lagen we waarschijnlijk in een soort magazijn. Zelf heb ik daar in een rek geslapen. Het gekke is dat ik steeds weer niet weet hoe mijn zussen, mijn broers en mijn ouders de nacht doorgebracht hebben. De afstand van ’s-Heerenberg naar Velp is 41 km. Vanuit Velp zijn we weer gezamenlijk op weg gegaan. Voetgangers, karren en paarden, alles was weer bijeen. Ik weet dat we in Ede zijn geweest en daar overnacht hebben. Dat is alles. Verder heb ik daar geen enkele herinnering meer aan. De afstand van Velp naar Ede is 27 km. Vanaf Ede  zijn we weer gezamenlijk verder gegaan, richting Woudenberg.  Het leek een dag te worden waarop niks bijzonders gebeurde. Mijn zus van zes jaar zat op de kar van Jan Spikmans. Op die kar zat ook Door van Hen Franken, die hoogzwanger was. Dat kon ik als dertienjarige ook zien. Samen met mijn buurjongen Wiel Kusters en nog een paar andere leeftijdgenootjes waren we appelen aan het rapen, ja rapen en niet plukken.  Dat was in Scherpenzeel. Opeens een lawaai van kraken en remmen en gillen. Ja hoor, raak! De kar van Jan Spikmans werd aangereden door een Duitse legerwagen. Door Franken lag op de weg te kreunen, maar ook mijn zus Martha van zes jaar lag op de grond. Zij was naar beneden gekwakt en lag met haar hals precies voor het karwiel. Wim van Schaijk die langs de kar liep, greep, naar ik even later hoorde, mijn zus bij haar benen en trok haar voor het karwiel weg. Gelukkig voor ons allemaal had Jan Spikmans, zij het met veel moeite, zijn paard stevig bij de teugel. Er bleek een burry gebroken te zijn. Na dit ongeval moest de stoet  toch verder. Jan Spikmans met zijn gehavende kar en mijn moeder vanwege mijn zus die niet meer kon lopen, bleven achter. Haar enkel was zwaar gekneusd en haar boventanden waren ontzet. Zelf bleef ik ook bij hen en vader ging met de rest verder. Na een hele tijd oponthoud kwamen twee dames van het  Rode Kruis ons op weg helpen. Zij kwamen met twee fietsen. De een had  een karretje achter haar fiets. In dat karretje ging mijn moeder, met Martha op haar schoot, zitten. Ik zat bij de  andere vrijwilligster achter op de fiets. Langzaam gingen  we richting Woudenberg. We kwamen bij een heel grote boerderij  aan waar de anderen zich al in het stro genesteld hadden. De koeien liepen nog in de wei en daarom mochten wij op hun plaatsen in de stal liggen. Al met al werd het er niet beter op. Zorg om de jongste van negen maanden en zorg om de op een na jongste na de aanrijding in Scherpenzeel.  Zij moest steeds gedragen worden. We kregen wel eten en drinken en vooral lekker warm eten daar op de boerderij in Woudenberg. De afstand die we die dag afgelegd hadden is  22 km. De zevende dagtocht was die van Woudenberg naar Zeist. Alles ging gewoon door. We waren niet anders meer gewend. De een duwde de kinderwagen, de ander droeg mijn zus, maar niet lang. Gelukkig kon ze op een kar meeliften. Wel waren we blij dat we in Zeist aankwamen. We zaten in een lekkere warme school en daar bleven we een paar dagen. In Zeist gingen we al gauw op verkenning uit. Er stond daar een oude fiets en om beurten verkenden we de omgeving. De pret was van korte duur. De moffen kwamen de school binnenvallen en alle mannen moesten mee. Ook mijn vader die toen 44 jaar was. Ze gingen tot 65 jaar. Heel veel bekenden van ons moesten mee. Ze werden met zijn allen bijeen gejaagd in Het Kamp van Zeist. Daar vonden Wiel Kusters en ik hen achter een afrastering. Wij terug naar de school en de anderen verteld waar we de mannen gevonden hadden. Mijn vader was daar samen met Wim van Schaijk, Albert Derks, Piet Kusters, Piet Vervoort, Herman Thissen (de Pètjes) ,  Willy Peters, Hubert Franken en nog veel meer van onze mensen. We stonden daar met een heel stel van onze vluchtelingen-karavaan. Mina van Schaijk-Franken was daar  ook bij. Haar man Wim was er, maar ook een of twee van haar broers. Tegen het gaas aan gedrukt vroeg zij aan een dorpsgenoot die bij de SS was, om afscheid van haar man te mogen nemen. Het antwoord was: “Aan het Oostfront sterven er zoveel zonder afscheid te nemen”.  Na twee dagen werden we verder gebracht  vanuit  Zeist  naar allerlei bestemmingen. Er gingen groepen naar Werkhoven, Vleuten, Maarssen en mijn familie ging naar Westbroek. Hoe we daar gekomen zijn weet ik niet meer. Te voet, met een wagen, ik weet het niet. Wat ik wel weet was dat we in Westbroek achter de kerk in een soort gemeenschapshuis lekker warm onthaald werden. Daar was de burgemeester en die moest ons een plaats bezorgen bij zijn dorpsgenoten.

Vader was er niet meer bij en moeder met haar kroost, vier redelijk mobiel en twee kneusjes, een in de kinderwagen en de ander gedragen, kwam vlak bij de kerk bij een zekere familie Brauwer terecht. Het regende dat het goot en het was venijnig koud. Bij aankomst werd ons verzocht de klompen buiten te laten. Wij kwamen in de voorkamer – een soort pronkkamer – terecht en daar werd een pak stro door de eigenaar in een hoek van de kamer gegooid. We konden daar gaan liggen.  Veel erger nog was  dat de boer  met hamer en spijkers  de deur naar het achtergedeelte van het huis heel demonstratief dichtspijkerde. We stonden en zaten er versteend naar te kijken. Moeder zei tegen ons dat we bij elkaar moesten blijven en dat zij even terugging naar de burgemeester.

In de kortste keren waren we weer terug in de lekkere warme ruimte achter de kerk. De klompen hadden bij Brauwer in de drup gestaan. Dus natte voeten moesten we maar op de koop toe nemen. Vandaar werden we in Achttienhoven  in een wasserij ondergebracht. Lekker warm daar en we kregen echte erwtensoep. Hoe we van Westbroek naar de wasserij in Achttienhoven gekomen zijn weet ik niet meer. Maar, en nu komt het, daar was een jonge vrouw  die  kennelijk had gehoord van al onze ellende: een moeder alleen met zes sukkels. Opeens hoorde ik haar zeggen dat ze eens met haar pa zou gaan praten en niet lang daarna kwam ze terug. Haar naam was Grietje Lam. ‘’ Het is goed ‘’, had pa gezegd en na een paar honderd meter lopen, die konden er ook nog wel bij, kwamen we aan bij de familie Lam.  Juffrouw, zoals moeder steeds door de familie Lam aangesproken werd, kon met haar zes kinderen neerstrijken op wat noodbedden, maar zonder vader. Onze ellende en het verdriet van de afgelopen lange tocht, maar ook de bange tijd gedurende vier weken onder spervuur, meestal in de schuilkelder, is nauwelijks te meten of weer te geven.  Vader werd, nadat het adres via het Rode Kruis was achterhaald,  samen met Wim van Schaijk en Herman Thissen  kort voor Kerstmis vrijgelaten. Ze hadden moeten beloven dat ze na de feestdagen weer terug zouden komen om verder te gaan met het graven van loopgraven. Maar die belofte werd niet nagekomen.

Deel 1  van 3


Henk Peters was in 1940 negen jaar oud. De familie Peters verpachtte in 1951 hun boerderijtje aan tuinder Sjef van den Bercken en vertrok naar Meijel maar keerde na afloop van het pachtcontract weer in Milsbeek terug. Henk volgde de Sociale Academie in Tilburg en trouwde met Fien Franken. Hij woont momenteel in Leende maar heeft altijd een band met zijn geboortedorp gehouden. In 2004 heeft hij geheel
op eigen initiatief zijn oorlogsherinneringen op papier gezet en heeft deze aan ons  beschikbaar gesteld. Zijn herinneringen zijn geknipt en worden in een paar delen op de website geplaatst. De verhalen zijn ook opgenomen in het uitverkochte boek “OORLOGHERINNERINGEN MILSBEEK”. Zijn verhaal over de lange, barre (evacuatie)tocht volgt later. De penseeltekeningen zijn van Jan Koenen

Inval en bezetting op de Oudedijk
Door Henk Peters

De inval was op 10 mei 1940. Rond 5 uur `s morgens stond ik samen met mijn vader en moeder buiten naar de lucht te staren. De Duitsers waren Nederland binnengevallen. De buurman, Herman Laracker, kwam al snel naar ons toegelopen. Ja hoor, wat we al zo lang verwacht hadden was een feit.
De Duitsers kwamen met veel machtsvertoon in de lucht naar het westen gevlogen.
We tuurden geregeld naar de Maasbrug in Gennep of die nog over de Maas lag. Daar was vader alles aan gelegen want hij werkte bij Rijkswaterstaat als kantonnier en had het gebied van Sambeek tot Grave. Omdat de mobilisatie afgekondigd, was mocht mijn vader niet meer bij de brug in de buurt komen. Daar lagen allemaal Nederlandse soldaten, in loopgraven en kazematten, die er nu nog steeds als stille getuigen staan. Aan de brug waren springstoffen bevestigd om de zaak op te blazen. Er gebeurde niets. De soldaten hadden grind in plaats van munitie in de kisten. Dit hebben we achteraf gehoord. Bij de grensovergang Hekkens van Duitsland naar Ven-Zelderheide, Ottersum en Milsbeek hing als een baken een heel grote ballon in de vorm van een zeppelin in de lucht. Deze moest als baken voor de vliegtuigen dienen. Schoolgaan was er de eerste dagen niet bij, maar hier werd al gauw een einde aan gemaakt. Het dagelijks gebeuren nam zijn eigen plaats weer in. In feite merkten we niet echt veel van de Duitse bezetting en ook de soldaten zagen we nauwelijks. Later bleek dat alles sluipenderwijs gebeurde. Milsbeek fluisterde volop. Ook kleine potjes hebben oren, vooral als de grote mensen in bedekte termen gingen spreken, waren we een en al oor. Veel namen van mensen in Milsbeek en hun gezinnen werden aangeduid als NSB’ers en in een aantal gezinnen was een zoon, die bij de SS was. Een van hen is naar het oostfront gestuurd en nooit meer in Milsbeek teruggekeerd. De inwoners van Milsbeek begonnen elkaar te wantrouwen. De bonkaarten werden ingevoerd en moeder was er als de kippen bij om uit te tellen hoeveel we voor acht monden en mondjes konden kopen en hoe lang de kaart geldig was. Over papieren rompslomp gesproken!! Echte honger hebben we geen van allen in Milsbeek geleden. De meeste inwoners hadden wel een klein gedoetje, oftewel een keuterboerderijtje. De mensen uit de stad, vooral Nijmegen, gingen de boer op en werden vaak op de meest misselijke manier afgezet. Zo kwam er veel zwart geld binnen. De middenstand, zoals bijvoorbeeld de bakker, vroeg de hongerlijdende stadsmens abnormaal hoge prijzen voor brood en boter. Zonder distributiebonnen natuurlijk. Ook alle andere eetbare artikelen gingen duur van de hand. De grote en kleine boeren brachten zo af en toe op de fiets, driewieler, handkar of boerenkar graan naar de molenaar in Milsbeek, Ottersum of  Ven-Zelderheide. Daar kon men dan weer wat mee doen, gift, gebruik of misbruik? Dat hing voornamelijk van het karakter van de eigenaar af. Intussen kregen de schoolkinderen af en toe een sinaasappel op school. De twee juffen en de twee meesters stonden erbij en alles werd eerlijk verdeeld. In diezelfde tijd kregen we als schoolkinderen een opdracht om onder toezicht van leraar of lerares beukenootjes te gaan rapen bij de Plasmolen. We moesten wel alles inleveren. Tussen 1941 en 1944 kregen we geen echte koffiebonen meer te zien en met de thee was het al precies eender. Ook daar was weer een antwoord op. Rogge, ja rogge. Die werd door moeder in de koekenpan op het fornuis gezet. Het begon door het hele huis te stinken. Eenmaal bruin ging het de koffiemolen in. Ja, met veel fantasie rook en proefde je koffie. En dan de thee! Ook daar had de afgezant van Hitler iets op gevonden. Tegen de herfst werd de kinderen opgedragen theeblaadjes te gaan knippen lees: -blaadjes van braamstruiken-. Deze blaadjes werden in zakken (die waren er wel genoeg) verzameld en moesten thuis in zon en wind wat drogen. Daarna konden we de voorraad gedroogde blaadjes inleveren op een verzamelpunt in Milsbeek. Een beetje vocht erover en het gewicht was iets gunstiger voor de jonge oogsters. Eigenlijk leefden we als jeugd vrij onbezorgd. Vader en moeder vingen de klappen wel voor ons op. Wat die allemaal doorstaan hebben met hun angsten en zorgen werd niet aan ons zessen meegedeeld. Mijn oudste zus Marie ging in 1943 naar de huishoudschool in Nijmegen. Deze school was gelegen aan de Groesbeekseweg. Intussen waren de kontakten van een lerares van de huishoudschool, een zekere mejuffrouw Kalkman en mijn ouders vrij geregeld te noemen. Mej. Kalkman had mooi bestek en leverde dat maar al te graag in voor boter, melk en een stukje van het varken.
Zij werd wel eens uitgenodigd om mee te eten “ wat de pot schaft”. Ze was een vrolijk en gelukkig mens als ze bij ons was. Ik herinner me haar als een heel deftige dame. Rechtop en niet bang. Een andere zorg was echter het gedrag van mijn zus. Zij had op het station in Nijmegen een -zoals ze het tegenwoordig noemen- een hangplek gevonden. Daarom hadden mijn vader en moeder mej. Kalkman gevraagd om mijn zus zolang op de school te houden totdat de tram op de St. Annastraat in Nijmegen naar Milsbeek vertrok. Zo is het ook gebeurd en ze bleef op school . Op 22 februari 1944 werd Nijmegen, men zegt per vergissing, gebombardeerd.
Op die dag was mijn vader werkzaam aan de Maas in Grave. Ook daar was over een afstand van maar 12 km het bombardement van Nijmegen duidelijk doorgedrongen. Het was een hectische dag. Door de verschrikkelijke bommenregen op Nijmegen dwarrelden in Grave bij de brug en sluis allerlei papieren neer, uit Nijmegen afkomstig. Toen vader thuis kwam op de fiets van Grave via Mook naar Milsbeek omstreeks 6 uur, was Marie er nog niet. De familie Peters zat in zak en as. Toen konden vader en moeder hun zorgen voor ons niet meer verborgen houden. Telkens weer op de fiets naar de tramhalte in Milsbeek of naar de Drie Kronen, een tramhalte tussen Milsbeek en Ottersum, maar geen Marie. Rond tien uur ’s avonds kwam er wat verkeer van Nijmegen naar Gennep en ja hoor, ze was er bij. Goed dat ze geluisterd had naar mej. Kalkman. Vrij kort daarna hoorden we van twee nichtjes van ons, die allebei in Nijmegen werkten, wat voor een verschrikkelijke taferelen zich daar hadden afgespeeld. Op de St. Annastraat hadden ze over de lijken heen moeten stappen om maar niet meer verder te praten over al datgene dat daar omheen te zien was. Het station was totaal plat gesmeten. Frans Kerkhof overleefde het bombardement van Nijmegen niet. In 1944 gebeurde er nog iets dat je niet snel vergeet. Iedereen lag in bed, alleen Ida, de jongste lag in de kinderwagen, bij vader en moeder in de slaapkamer. Normaal stond de kap van de wagen altijd omlaag. Dit
keer niet en maar gelukkig ook. Opeens een geweldige dreun, klap, gedonder, eigenlijk niet te omschrijven. Met z’n allen begonnen we te gillen en te schreeuwen. Op dat moment wisten mijn vader en moeder dat hun kroost nog leefde. De deur van de slaapkamer van mijn ouders tussen het nieuwe gedeelte van het huis en oude gedeelte, was ontzet. Met nogal wat geweld wist vader de deur open te krijgen. Ongeveer 200 meter voor ons huis was een vliegende bom, een V-1 ingeslagen.  Van slapen kwam niet veel voor de oudsten. Bij daglicht zagen we dat de ravage enorm was. De voorgevel van ons huis was vanuit de nok tot aan de fundering totaal
gescheurd en de ruiten waren door de luchtdruk naar binnen gedrukt. Dank zij de opstaande kap van de kinderwagen had Ida, een baby van toen 7 maanden geen enkele glassplinter over zich heen gekregen. Dakpannen lagen door de luchtdruk
in golven op het dak en de rest lag op de grond. Het leek of ons huis een permanent gehad had. Er was een enorm gat geslagen en er waren later 78 karren zand nodig om het weer dicht te maken. Omdat we een molestverzekering hadden kregen we iets vergoed en dat heette oorlogsschadeherstel. Bij buurman Herman Laracker was de dienstmeid gewond door glasscherven. Verder had niemand een schrammetje. De V1 was ongeveer 200 meter voor het huis van Herman ingeslagen. Herman
(weduwnaar) lag met zijn twee dochtertjes Nel en Bertha in dezelfde slaapkamer aan die zijde waar de bom gevallen was. Ongeveer 50 cm boven het bed van buurman was een grote scherf naar binnen gedrongen. Het gat in de muur had zeker een doorsnee van 20 cm. Deze scherf was achter het bed van de twee kinderen tegen de muur tot stilstand gekomen en omlaag gevallen. Dit was een gloeiend stuk monster. Iedereen had geluk gehad. Dit was een zwarte zaterdag. Op zondag kwam het ramptoerisme op gang. Grote drommen mensen uit de wijde omgeving kwamen de
ramp overzien. Samen met mijn kameraadjes, de buurjongens Tön en Wiel Kusters gingen we aan de slag. Met een bord met opschrift hoe erg het allemaal was, een tafeltje en een paar diepe borden, een stoeltje en een droevig gezicht en de inzameling was begonnen. We haalden een dikke drieduizend (oorlogs)guldens
op, die we op het opkamertje bij de familie Kusters op de vloer uitgespreid hadden. Daar werd ‘de buit’ verdeeld, en in drie gelijke porties weer uitgedeeld aan de familie Laracker, de familie Kusters en de familie Peters. Wij hadden tenslotte ook al het werk gedaan. Mijn vader bleef zijn hoofd maar schudden. Een miezerige 1000 gulden tegenover de echte schade die we allen geleden hadden, betekende eigenlijk niets. De milde medelijdende gevers hadden alleen papiergeld. Alles ging geruisloos. Het was allemaal nog maar een voorbode van de verschrikkingen die Milsbeek daarna te wachten zouden staan. Op zondag 17 september 1944 waren wij, de groteren, naar de hoogmis gegaan. Tijdens de kerkdienst begon het ineens te donderen bij heldere hemel. Pastoor Hoefnagels zei dat we rustig moesten blijven. Maar de eerste bommen waren al op de Milsbeek gevallen op de St. Janberg en bij de Diepen. Via de Potkuilen gingen we naar huis. Onderweg zagen we heel veel vliegtuigen in de lucht en ook parachutisten. We waren allemaal van slag. Binnen blijven was er niet bij. Vlak tegenover ons huis aan de andere kant van de weg lag in de wei van Kusters een heel dik lang touw. Later bleek dat de geallieerden de zweefvliegtuigen met dit touw aan de vliegtuigen gekoppeld hadden, op sleeptouw genomen dus. Bijna alles speelde zich af in de lucht. Er kwamen ook pamfletten naar beneden vallen met Duitse tekst. Ook viel er veel zilverpapier in stroken naar beneden en later kwamen we er achter dat dit zilverpapier een stoorzender was tegen de vijandelijke radar. Richting Reichswald vlak bij de Zuid-Nederlandse grens zagen we een vreemde tank, die richting Plasmolen-Middelaar ging. Daar kwam helaas gedurende vele maanden de frontlinie te liggen. Opeens zagen we richting Reichswald van ons huis uit gezien een geheel andere tank dan we totnogtoe gezien hadden. Deze was zandkleurig en die van de Duitsers waren groen-grijs. Het bleek er eentje van de geallieerden te zijn. Deze tank ging langzaam naar het noorden, richting Plasmolen-Middelaar. Tot dan was dit alles, wat we van de bevrijders op het land te zien hadden gekregen. Milsbeek was net een mierenhoop geworden. Hele horden Duitse soldaten, meestal gewapend met schoppen gingen richting Reichswald. Daar werd meteen begonnen met loopgraven te maken en tankvallen.
Voor die tankvallen hadden de Duitsers tankmijnen gelegd. Die tankvallen hadden ze voor de Kroonbeek gelegd. Inmiddels was Milsbeek veranderd in een groot afweerpark. Bij ons thuis stonden kanonnen richting Plasmolen en ook bij buurman Laracker en zijn zus Marie Kersten en richting Driessen aan de onderkant. Onder de
bomen daar stonden dezelfde vuile granaatwerpers. Als bij ons in de buurt de Duitsers een granaatsalvo afvuurden naar de kant van de geallieerden, in Plasmolen, Middelaar, Mook en Groesbeek, dan renden we ons met zijn allen verrot om in de schuilkelder te komen. Direct na de luchtlanding (Market Garden; weet ik nu pas) hadden ze bij de buren, de familie Kersten, een schuilkelder. Die hadden wij toen nog niet. Toen het luchtalarm afging renden we met zijn allen naar de familie Kersten door onze wei voor het huis. De sloot in de wei stond vol water en mijn oudste zus die een van de kleinere kinderen droeg, plonsde in de sloot. We kwamen toch veilig aan bij de buren. Daar was de hele schuilkelder voor driekwart gevuld met angstige buren die het ook niet meer zagen zitten. Een dochter van de buren lag heel erg dicht tegen haar vriend aan. Het was ene Jan. Voor iemand van dertien jaar was dit natuurlijk opletten. In diezelfde nacht dat we vluchtten, werd er een zware bommenwerper van de geallieerden neergehaald. Die kwam in het Groesbeekse terecht aan de Breedeweg. Van de bezetters mochten we daar een kijkje gaan nemen. Dat was hun triomf. Er lagen drie lijken naast het toestel. Als jongen van 13 jaar maakt dit wel een beetje indruk. Van de reacties van mijn ouders en broers en zussen kan ik mij helemaal niets meer herinneren. Wellicht was ik teveel met mezelf bezig. Toen we zelf een schuilkelder hadden, gingen we iedere nacht daar in slapen en als er overdag luchtalarm werd gegeven waren we er als de kippen bij om ondergronds te gaan. De Duitsers hadden inmiddels de slaapkamer van vader en moeder ingepikt en daar hun commandopost geïnstalleerd. We leefden niet naast elkaar, maar met elkaar, ook de ongeveer 14 militairen die bij ons op de ‘deel’ (het achterste gedeelte van een kleine boerderij) lagen. Zij lagen daar op stro. Ons stro! Ook die jonge militairen hadden het moeilijk. Eentje stond er te janken omdat hij al 6 weken geen post meer van zijn familie had ontvangen. Via de radio had hij gehoord dat Keulen was gebombardeerd. Daar kwam hij vandaan. Op een middag liepen er verschillende Duitse soldaten rond het huis en in een keer was het gedonder aan de gang. Vliegtuigen van de geallieerden hadden ontdekt dat er een concentratie van Duitse militairen in ons huis moest zijn. Meteen werd er een aanval ingezet. Wij meteen als een haas de kelder in. Direct daarna gingen we overal rondneuzen. En ja hoor, er was vlak bij huis in het gras iets aan het smeulen of roken. Henk meteen wroeten en ja, succes! Een scherf van de beschieting, maar die was gloeiend heet; ‘‘auw!’’ We lagen nu ongeveer twee weken in de frontlinie. Iedere dag gebeurde er wel wat anders. Ook eten halen hoorde erbij. Op een middag had moeder mij distributiebonnen gegeven en samen met twee buurjongens gingen wij op weg naar bakker Thijssen om brood en stroop (siroop) te halen. Ik had een soort sisaltas meegekregen met een lege weckfles waar de stroop in moest. In de bakkerij, waar het lekker warm was, stonden we met een man of veertien op zijn beurt te wachten, toen er een luchtaanval kwam. De scherven floten om onze oren. Iedereen duiken. Een scherf was binnengedrongen en mijn klasgenoot Wim Siebers kwam goed weg. Hij lag naast een meeltrog en daar viel een gloeiende scherf naar beneden. Iedereen had weer eens een engeltje op zijn schouder. Op de terugweg naar huis van de Rijksweg, waar de bakkerij lag, naar de Oudedijk gingen we via de “zandberg” (tussen de Rijksweg en de Onderkant). In de zandberg hadden de Duitsers heel wat afweergeschut, vlammenwerpers en kanonnen opgesteld, die 36 granaten tegelijk konden afvuren. Op een gegeven moment moesten we met zijn vieren plat. Granaatscherven vlogen om ons heen. Met ons vieren vluchtten we naar grootmoeder Franken. Inmiddels was er een korenhoop in brand gevlogen. Vlak daarbij had ik mijn tas met brood en de weckfles met stroop laten liggen toen ik richting schuilkelder van oma Franken vluchtte. Toen het wat rustiger werd ging de jongste zoon van oma Franken, Hubert, op zoek naar mijn tas. Hij bracht ze wel mee terug, maar de stroop was voor de helft uit de weckfles over het brood en in de tas gedropen. Op een gegeven moment was het weer luchtalarm en wij de kelder in. Vader was op weg van Kusters naar onze schuilkelder en An Kusters was bij hem. Granaatscherven vlogen in het rond en vlak voor de schuilkelder bij ons in de moestuin sloeg een granaatscherf in tussen mijn vader en An (zij is later bij de familie Gerrits aan de Onderkant door oorlogstuig verongelukt). Een datum kan ik mij niet herinneren, maar in oktober 1944 was er een vliegtuig van de geallieerden neergeschoten en er hadden parachutisten in de lucht gehangen. Dit was gezien door een stel SS’ers die een mitrailleursnest hadden bij het huis van Hannes Maas in de Potkuilen. Met hun verrekijkers hadden ze gezien dat soldaten bij ons naar binnen gevlucht waren. Het waren geen parachutisten, maar twee Poolse soldaten, Stefan Rozmus en een zekere Paul, die in het Duitse leger ingelijfd waren en die de vlucht hadden genomen. Zij vroegen aan mijn vader om burgerkleding. Die heeft hij inderdaad gegeven. Het waren twee oude overalls. Direct daarna zijn ze gevlucht richting Panoven. Zij wisten waar de SS’ers hun stelling hadden en in de schaduw van ons huis gingen zij, zoals gezegd, door de Kroonbeek richting Panoven.
Direct daarna kwamen de SS`sers bij ons de schuilkelder binnenvallen en moesten mijn vader en ik mee het huis in. Daar werden we voor de koeien tegen de muur gezet en een revolver werd op onze borst gericht. Doodzenuwachtig. Wij wisselden geen woord met elkaar. Waarom? De andere SS’er was naar boven naar de hooizolder gegaan en heeft toen met zijn bajonet overal in het hooi geprikt; niks gevonden, terwijl mijn vader en ik daar de uniformen van de Poolse deserteurs verstopt hadden. De sukkel had niets gevonden, maar nog diezelfde nacht heeft ons fornuis gebrand. De militaire uniformen van die twee Poolse mannen hebben we op laten smeulen en het metaal, de knopen gespen en zo meer zijn de volgende dag in de grond verstopt. Wij zijn goed weggekomen en de Polen ook. Moeder en kinderen in doodsangst om wat er met vader en mij zou gebeuren. Later vertelde moeder dat ze met z’n allen hardop hadden liggen en zitten te bidden tot Maria. Ook heeft mijn zus Marie een keer een jongeman, gekleed in een soutane (pastoorstoog), naar Ottersum gebracht. Het moet iemand zijn geweest die zich in de Milsbeekse kerk
had schuil gehouden maar Vader en moeder wilden er niets over vertellen en mijn zus kan ik er niets meer over vragen omdat zij in 2000 overleden is. Met z’n allen waren we al redelijk goed afgericht. Luchtalarm, vliegtuiggeronk in de lucht en hups meteen richting schuilkelder. Afweergeschut over en weer. Vooral als er vliegtuigen in de lucht waren en beschoten werden door de Duitsers door Flach-geschut, dan moesten we bijzonder vlug in dekking gaan anders was het te laat. Twee dagen voor de 6e verjaardag van mijn zus Martha kwamen de Duitsers aanzeggen dat we ons gereed moesten maken om te vertrekken. Waarheen werd ons niet gezegd. De volgende dag kwamen de soldaten overal het vee vorderen, vooral de koeien en
de paarden en natuurlijk ook de kalveren.

Nieuwsbulletin Stichting Cultuurbehoud Milsbeek

De Open Monumentendag van 2014 vindt plaats in het weekend van 13 en 14 september. Het thema is Op reis. Daarmee zal de aandacht uitgaan naar alle soorten van vervoer en transport, zowel van mensen als van goederen, die door de eeuwen heen op reis gingen, via het water, het spoor, de weg en de lucht. Dat betekent ook dat de middelen zelf, historische schepen, treinen, auto's en vliegtuigen, oftewel het mobiele erfgoed, een grote rol zullen spelen, naast de gebouwen, die te maken hebben met vervoer en met reizen; stationsgebouwen, historische scheepswerven, pakhuizen, tramremises, benzinestations, tolhuizen, herbergen en nog veel meer. Aanleiding voor het thema is, dat er voor 2014 een themajaar over mobiel erfgoed is uitgeroepen, vanuit de Stichting Mobiele Collectie Nederland.

De stichting heeft toegezegd hieraan ook haar medewerking te willen verlenen. In de Jacobsladder, dit in overleg met het pottenbakkersmuseum, zal een kleine ruimte worden ingericht over het transport. Er komen foto’s te hangen van oude transportmiddelen uit Milsbeek zoals: bakkersfiets, vrachtauto’s etc.

Radio NIMA zal 1 maal per maand een uitzending over cultuur gaan verzorgen.
Mevrouw Ineke Wagelmans heeft namens onze stichting zitting genomen in de redactieraad van dit maandelijks cultureel radioprogramma.

Werkhovens Historisch café
Een aantal personen, waaronder enkele bestuursleden van de stichting, gaan 22 maart a.s. naar de presentatie van ‘Werkhovense verhalen’. Henk Peters houdt daar een lezing over de aldaar geëvacueerde Milsbeekse gezinnen. De stichting zal voor de presentatie foto’s met teksten aanleveren en een filmopname maken, die te zijner tijd e.v. vertoond kan worden.
De middag wordt gehouden in ‘Het Kwartier’, Achterdijk 8, te Werkhoven. Tijd: van 14.00 tot 17.00 uur. De zaal is open vanaf 13.30 uur.

Historische avond
Ook dit jaar organiseert Stichting Cultuurbehoud Milsbeek voor haar vrienden en belangstellenden een historische avond op donderdag 27 maart a.s. in het Trefpunt.

Nieuw boek Limburgse Oorlogsmonumenten.
In het kader van ’70 jaar bevrijding’ heeft mevrouw Mien Kessels-van Rijswijck uit Merselo een (naslag)boek uitgeven met daarin informatie over 541 oorlogsmonumenten, plaquettes, die zich bevinden in 33 Limburgse gemeenten, welke toegelicht worden met geschiedenis en beschrijving.

Er komen 4 monumenten uit Milsbeek voor in het boek: Brits Ereveld, houten kruis voor de gevallenen, monument voor Grad, Chris en Huub Franken, wapenschilden aan de Zwarteweg (4 pagina’s). Voor prijsopgave, bestellen of informatie bel 0478-546290 of mail: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

   
© Stichting CultuurBehoud Milsbeek - http://www.cultuurbehoudmilsbeek.nl