Door : Wim Bindels

Achteraan op de Zwarteweg lag voor de Tweede Wereldoorlog als laatste huis de ontginningsboerderij van Kühn. De grond was begin vorige eeuw in erfpacht uitgegeven door de gemeente Ottersum. De ontginning van het omliggende veengebied en de bouw van de boerderij had begin vorige eeuw plaatsgevonden door de Duitser Theodoor Jaeger. Van de toen 182 hectare grote boerderij was Willem Kühn in 1924 pachter geworden. Tussen de Zwarteweg en de boerderij lag een sloot voor de afvoer van het water dat afkomstig was uit het vengebied aan de voet van het Reichswald en de Jansberg.

Na de capitulatie van de Duitsers in februari 1945, werd er door de geallieerden op de boerderij een krijgsgevangenkamp aan gelegd. Gevangen genomen Duitse soldaten werden ingezet bij het opruimen van de vele mijnen die in het grensgebied waren gelegd en het weer berijdbaar maken van de wegen. Dit krijgsgevangenenkamp werd door de familie Kühn, na terugkomst van de evacuatie, op hun boerderij aangetroffen. Het kamp zelf was gelegen achter en naast de boerderij.

Piet Lamers, die na de oorlog ook nog een tijd op de boerderij van Kühn heeft gewerkt vertelt, dat hij kort na terugkomst van de evacuatie met leeftijdgenoten vaak ging kijken bij het kamp. Het was afgezet met grote rollen prikkeldraad en er stonden altijd soldaten op wacht. De jongens kregen dan van ‘de Engelsen’ die de wacht hielden, altijd sigaretten. Er lagen toen twee bruggen over de sloot voor de boerderij, rechts was de inrit en links de uitrit van het krijgsgevangenkamp. Op het weiland waren wegen aangelegd van fijne basaltkeitjes, die ook gebruikt werden voor het herstel van de wegen. Er waren volgens Piet misschien wel 1000 krijgsgevangen op het kamp, die allemaal in tenten waren ondergebracht. Er was slaapgelegenheid, een grote keuken en een grote hoeveelheid wasbakken.

De Engelsen zelf zaten in een grote wigwamtent. Op het kamp was ook een 2 meter hoge bunker van ongeveer 4x4 meter, waar de inhoud van de WC’s in werd gestort. In een hoek zat een groot vierkant gat met een trap er voor. De krijgsgevangenen moesten met een grote emmer op de schouder de ladder op om hem te ledigen. Die bunker stond op de hoek richting

Koningsvenweg. De gebieden waar nog munitie lag, waren afgezet met rood-wit lint. De krijgsgevangenen hebben ook veel puin geruimd en grote gaten in de wegen hiermee dichtgemaakt. Dat gebeurde met Engelse vrachtwagens, die alle-maal met de hand en schop geladen moesten worden. Met een voorhamer werd alles kort geslagen zodat de gaten zoveel mogelijk dicht zaten. Op de boerderij zelf begon Kühn intussen met de wederopbouw.

Piet vertelt verder, dat de gevangenen ook buiten Milsbeek moesten gaan werken. Ze gingen dan met de trein naar het werk. De spoorweg is door de geallieerden vanaf het station Mook richting Duitsland aangelegd, om de troepen te bevoorraden, die verderop in Duitsland moesten vechten om de Duitsers tot achter de Rijn terug te dringen. De andere spoorverbindingen konden daar niet meer voor worden gebruikt, omdat de spoorbruggen over de Maas in Mook en Gennep onklaar waren gemaakt. In Milsbeek, dicht bij café ‘De Zwarteweg’, was een wisselplaats, genaamd de ‘Forest loop’ (waarschijnlijk zo genoemd vanwege de verbinding richting het bos). Deze werd door Britse militairen permanent bewaakt.

In Milsbeek liep hij dwars door het dorp en vervolgens tussen de Rijksweg en de Onderkant parallel aan de Aaldonksestraat naar Maria Roepaan waar hij een scherpe bocht maakte. Via een spoorbrug over de Niers sloot het lijntje in de Looi aan op het ‘Duitse Lijntje’ Boxtel-Goch. De ‘‘kortsluiting’’, die de Hawkinslink werd genoemd, werd in een tijdsbestek van 2 weken aangelegd en kwam op 26 februari 1945 gereed. Na beëindiging van de oorlog werd het spoorlijntje door de NS overgenomen en bleef de verbinding nog een tijdje in bedrijf.

Bij de Zwarteweg werd het toen ‘Station Milsbeek’ genoemd en werd het o.a. gebruikt in het kader van de wederopbouw. Bij ‘Station Milsbeek’ stapten ook de krijgsgevangenen in en uit. In colonne ging het volgens Piet dan altijd naar de trein en het kamp. Dat ging zo iedere dag. In de buurt van de gevangenen mochten de Milsbeekse jongens natuurlijk niet komen.

Piet Lamers heeft ook nog de aanleg van de 3 wapenschilden, die als een aandenken in de sloot voor de boerderij liggen, tot stand zien komen. Ze zijn door de krijgsgevangen aangelegd op een ondergrond die is gemaakt van de basaltkeitjes, die ook voor het herstel van de wegen zijn gebruikt. Pastoor Thuring uit Groesbeek en later Adriaan de Winter hebben in de loop der tijd onderzoek gedaan naar de betekenis van de wapenschilden. Pastoor Thuring schreef over de stenen in mei 1989, dat tijdens en na operatie ‘Veritable’ tal van Britse en Canadese ’Engineers’ en ‘Pioneers’ bij het wegenonderhoud werden ingezet. De twee buitenste wapens zijn 120x85 cm groot en de middelste 190x75 cm. Op de linker steen is de Britse mannelijke kroningskroon afgebeeld op een paal. In het midden staat een zegekrans en kruislings hierover een schop met een geweer. De schop duidt op de werkzaamheden in het wegenonderhoud. Hieronder staat de tekst

‘LABOR OMNIA VINCIT.’ Volgens pastoor Thuring een Latijns speekwoord dat zegt: ‘Arbeid overwint alles’, Het behoort toe aan het ‘Royal Army Pioneer Corps.’ Het rechterschild bestaat uit een blauw kruis met witte ondergrond. De betekenis hiervan stamt, volgens Adriaan de Winter, nog uit de tijd van de kruisvaarders. Het totale 21e legerkorps, onder leiding van Maarschalk Bernard Montgomery, droeg volgens hem dezelfde vorm van schild met kruis, maar alle onderdelen hadden verschillende kleuren, waarbij de pioniers een blauw kruis hadden. De totale omvang van het Royal Army Pioneer Corps bedroeg 400.000 soldaten, die overal ter ondersteuning werden ingezet en waarbij vaak gebruik werd gemaakt van krijgsgevangenen. Het cijfer 707 in het midden verwijst naar de compagnie van ongeveer 120 man, die rondom Milsbeek was in gezet en gezorgd heeft voor het aanwezige monument.

Toen alles weer zo goed mogelijk geregeld was, zat voor de meeste soldaten de straf er op. Daarna werd het hele kamp afgebroken en netjes opgeruimd. Kühn ploegde de weilanden om en je zag niets meer van het kamp. De ’bunker’ voor WC-afval heeft er nog een aantal jaren gestaan. Voor het laten slopen ervan heeft Kühn nog een vergoeding gekregen. Behalve de wapenschilden is alleen de nissenhut achter op het terrein nu nog een overblijfsel van het gevangenenkamp.

‘De nissenhut werd, nadat hij eerst nog voor de wederopbouw dienst had gedaan, in 1946 door de gemeente Ottersum, de eigenaar van de boerderij, gekocht. Het leverde vervolgens, blijkens de archiefstukken die voorhanden zijn, de gemeente nogal wat problemen op, omdat aannemer Dekkers het gedeeltelijke eigendom en dus een deel van de opbrengst claimde. De nissenhut heeft vervolgens, in meer dan 65 jaar, alle veranderingen die in de eigendomssituatie nadien hebben plaatsgevonden, overleefd. In het voorjaar van 1989 zijn de stenen op initiatief van Milsbeek Vooruit in overleg en in samenwerking met de gemeente en het Waterschap schoongemaakt en in een betonbed ingepast. Ze worden sindsdien door de gemeente Gennep onderhouden. Het spoorlijntje tenslotte, werd rond 1950 opgeheven en verwijderd.’

   
© Stichting CultuurBehoud Milsbeek - https://cultuurbehoudmilsbeek.nl