Door : Pastoor Reintjes

‘Feest van Christus-Koning, zondag 28 October 1945 werd ik, Jacobus Theodorus Reintjes, geboren te Heijen, den 9de April 1906 als 2de pastoor van Milsbeek geïnstalleerd. De installatie werd verricht door de Hoogeerwaarde Heer W.H.M. Janssen, deken te Gennep. Getuigen waren de Zeereerwaarde Heeren Pastoor L.P. van Laer, pastoor te Ottersum en Th.W.J. Driessen, pastoor te Middelaar. De installatie werd verricht in de parochiekerk van O.L.V. van Altijddurdende Bijstand.

In de enigszins schoongeveegde kerk lag nog het puin. Door de oorlog was de kerk zwaar getroffen. Het gewelf en het priesterkoor met het dak erboven waren verdwenen. Het altaar was zwaar gehavend. De helft van het transept aan de Evangeliezijde was vernield. Een groot gedeelte van de kerkbanken was totaal vernield, de rest kon hersteld worden. De planken onder de banken waren, voor zoover nog bruikbaar, als noodvloer in het patronaat gelegd. Het patronaat werd gebruikt als noodkerk. Als Kapelaan fungeerde de Zeereerwaarde Pater v .d. H. Geest Verheijen uit Middelaar, die 2 jaren de pastoor hielp en in Februari 1946 naar de Missie in Afrika vertrok.

De toren van de kerk was blijven staan, alhoewel zwaar beschadigd, kon hij toch spoedig hersteld worden. De beelden waren beschadigd en gingen voor reparatie naar werkplaats Holtappels te Deurne. De beide harmoniums zijn teruggevonden en hersteld bij Verschueren te Heijthuijsen. Midden oktober 1945 werd een begin gemaakt met het herstel van het dak. Het werd een nooddak gemaakt van het Engelsch goedje, rubberoid genaamd. Het voldeed niet best, want het lekte hier en daar. Het plan was vóór de winter de kerk dicht te hebben, al was het dan provisorisch. Dat is niet gebeurd, want het glas kwam voor de winter niet klaar. De contracten voor het definitief herstel werden voor Paschen 1946 geteekend. Het herstel van kerk, pastorie, patronaat en school werd aangenomen door aannemer Thijsse-Klase te Wijchen. Architect was de Heer J. Coumans te Nijmegen, die ook architect was van de bouw in 1931.

Op 22 October 1945 werd het H. Vormsel door Mgr. Lemmens aan de kinderen der gehavende parochie toegediend. Aanwezig waren ook de Hoogeerwaarde Heer deken Janssen te Gennep en aalmoezenier Gerrits. De toediening geschiedde in de noodkerk, het patronaat. Na afloop was er een kleine en eenvoudige koffietafel in de spreekkamer van de pastorie. Dat kon niet anders want de pastorie was zwaar gehavend door de oorlog. Gedurende de afwezigheid der bewoners tijdens de evacuatie vanaf half October 1944 tot Mei-Juni 1945 had men (Engelschen of Duitschers) de brandkast in de woonkamer laten springen. Een groot gat was geslagen in de hoek van de kamer, zóó groot, dat er wel een koe door kon. Een groot gat was ook geslagen in de vloer. De muren waren naar buiten gedrukt, zoodat deze bij het herstel van beneden tot aan het dak opnieuw moesten worden opgebouwd. De porte-brisée met kasten er naast was heelemaal weggerukt. Tusschen spreekkamer en woonkamer was een gat geslagen en de muur ingedrukt. De schoorsteenmantels in woonkamer en zaal waren gedeeltelijk vernield. Van het plafond in de woonkamer was niets meer over. Het berghok in de achterbouw was geheel vernield door een granaat. Eén schoorsteen was van het dak af. Het wonen was moeilijk. Weinig ruiten in de ramen, kapotte deuren, kapotte muren. De pastoor ging dikwijls zelf aan het dichtmaken van de gaten. De ramen werden dichtgespijkerd.

De toestand van de woningen van de parochianen was bedroevend. Zeer vele huizen waren geheel vernield, de rest was zonder uitzondering zwaar gehavend. De inventaris en het vee waren totaal weg, ofwel gestolen door de Duitschers vanaf Sept. 1944 tot 8 Febr. 1945, ofwel gestolen door de Engelschen onmiddellijk na de bevrijding, toen de bewoners nog niet terug waren. Wat overbleef was gestolen door de werklui aan de spoorweg, die midden door het dorp was aangelegd door de Engelschen. Deze liep van Nijmegen naar Gennep. Bij de terugkomst vonden de parochianen niets meer. Velen vonden aanvankelijk een onderkomen in de school, waar geen ruit meer in was. Zelfs heeft de fam. Koenen (kerkmeester) in het onderwijzerslocaal van de school gewoond tot Maart 1946, toen was hun noodwoning klaar. Zij allen sliepen in het kolenhok van de school. Eén van de meisjes sliep een tijd lang op de pastorie.

De parochianen woonden veelal in de kapotte huizen, die ze zelf bewoonbaar maakten. De wederopbouw werkte (als ’t werken genoemd mag worden) aan het herstel der huizen. Ze deden er eerst zooveel aan, dat ze weer bewoonbaar werden. Aanvankelijk was het regie-werk, dat wil zeggen in uurloon. ’t Ging langzaam. De opbouwers verdienen zwaar geld. Vooral de aannemers. Het materiaal van vernielde huizen werd gebruikt om andere te herstellen. Heel veel menschen hebben lang in kippen- en varkenshokken of schuurtjes gewoond, maar ze waren blij dat ze terug waren in hun eigen huis. Onmiddellijk hebben ze zelf het werk ter hand genomen. De huizen leeggeruimd en zoo goed mogelijk dichtgemaakt. Velen zijn omgekomen door mijnen en granaten. Het getal moet 21 zijn.

‘Dit betreft een deel van een brief die door Chris Janssen in de archiefstukken van de kerk is gevonden. Blijkens het handschrift is hij geschreven door Pastoor Reintjes. Zoals in de aanhef te lezen is, werd hij in oktober 1945 de tweede pastoor van de parochie Milsbeek. Hij was direct na de oorlog de pastoor, die leiding gaf aan de wederopbouw van kerk en school, maar ook aan het plaatselijke comité van de HARK. In 1948 vertrok hij alweer naar Siebengewald, waar hem de klus wachtte om een geheel nieuwe kerk te bouwen. Hij overleed op 20 september 1980 op 74-jarige leeftijd.’

   
© Stichting CultuurBehoud Milsbeek - https://cultuurbehoudmilsbeek.nl