Brief van Peter Linders aan de mensen waar hij geëvacueerd was

Goede Vrienden,

Bijgaand zend ik U het epistel, dat uit mijn hart kwam, toen ik me aan een granaatkist zette om te schrijven. Wij zijn gezond en zeer tevreden. Ik stuur deze brief maar aan Van Elmpt, die draagt wel zorg, dat al onze vrienden hem lezen. Kamerbeek, Majoor, Zegers, Muller, Zalm, Schrijvers, ‘De Vijzel’ en dan wil Van Elmpt hem wel bewaren, want ik wilde hem graag terug hebben. Als we kunnen, komen we eens met een auto naar Soest, want er zijn nog spullen van ons, o.a. dekens en van Juffrouw Muller een bed voor mijn moeder. Ze is 80 en op de koude grond op stroo is niet te doen. Wij danken jullie nog allemaal voor het vele goede. Denk nu niet, ja ik krijg geen brief en ik ben zoo goed geweest. Jullie zijn allen goed geweest en we bedanken allen, maar we hebben geen papier en niets om te schrijven en voor alles geen tijd. Kom allen hier naar toe, kom hij, die denkt dat hij ongelukkig is, kom die lusteloos zijn, kom die zich down voelen, kom die werelddruk zijn, kom en aanschouw hoe een deel van Nederland lijdt en gij gaat sterk en gezond terug. Onze honing was in een avond op. Er waren zooveel liefhebbers en gretige oogen! Bijen zijn hier geen, maar de velden ruiken naar honing. Er is een spoorlijn vlak achter onze hut en die sleept de heele dag tanks en wapens naar Duitschland.

Graag hadden we dat jullie deze zomer komen. Breng echter dekens mee en eten als je kunt. Hooi is er net zooveel hier als je wilt. Wie maait het echter? Grasklavers, alles in overvloed, maar geen koeien, dus geen melk, alleen water. De putten bij de boerderijen zitten allemaal vol lijken en zijn dichtgegooid. Hier hebben velen nog open putten en tevens pompen. Teun en ik hebben een hok gemaakt in de pottenbakkerij en dat is ons huis. Een huishoudster of meid kunnen we nog niet hebben. De pottenbakkerij heeft vier voltreffers gehad. Ons hok heeft vannacht de waterproef gehad. We hadden van die soldatenzeilen over onze bedden. Vandaag hebben we weer op het dak gezeten!!! Toch zijn we erg tevreden en gelukkig. Mijn moeder zit nog in Overijssel, maar komt deze week terug en gaat voorloopig naar mijn broer, die in Gennep woont en er beter af is gekomen. Zijn huis is er nog, maar niets er in, maar dat hindert niet. Bij Teun in zijn huis wonen 37 menschen, dat zijn vier huishoudens.

Het heeft twee treffers gehad, maar kan nog hersteld worden. Zoo leven we hier allen en wij zijn maar weer alleen gaan wonen, dan hebben we rust, maar omdat het in onze hut rustig is, komen er iedere avond tal van menschen. Buiten klinkt een knal. Teun zegt: een mijn. ’t Is verder weg. Wie er de lucht in gaat weten we nog niet. Vrienden het gaat jullie goed.

Twee dagen later!!! Deze middag is er weer een ongeluk. Een boer wilde een korenmijt binnenhalen. Op de hoop bezig ontploft er een mijn; drie mannen dood en een paard. Een hoort bij mijn personeel. God, wie is de volgende. Kijk niet naar mijn stijl en fouten, ik schrijf effen en corrigeer niet. Wij groeten jullie allen, goede vrienden. Schrijft direct terug en kom, kom, kom!

Vrienden uit Soest!

Wij leven nog en dat is alles! Eindelijk ben ik in het bezit van tien vellen papier gekomen en nu zal ik jullie eens gauw ons relaas beschrijven. Om in het bezit van papier te komen ben ik naar Nijmegen gegaan en dat is een tijdsverlies van een dag heen en terug. God zij dank ik ben terug, want huizen om me heen maken me angstig en bedrukt. We waren woensdag tegen de avond in Milsbeek en Ottersum. Het is onmogelijk om alle gewaarwordingen te beschrijven die in je omgaan als je zóó terug komt. Alles lijkt een droom maar niets is je vreemd. Je constateert nuchter: Alles is kapot, alles ligt in puin. De eerste nacht hebben we geslapen in Teun zijn kapotte huis in een bunker, die in de slaapkamer was gemaakt. We sliepen daar met vijven op vochtig stroo of beter vochtige rogge, want stroo was er niet. Om aan stroo te komen gaan we naar een roggehoop of korenmijt, die staan er nog in de velden en je trekt er wat schoven uit en ’s nachts slaap je er op, dat heerlijke koren waar we deze winter zóó naar verlangd hebben. Maar hoe moeten we het koren dorschen, hoe malen? Enz. enz. Alles, alles is stuk, kapot, vernietigd, gestolen, verbrand of wat dan ook. Alles wat jullie daar zoo voor het grijpen hebben is hier niet. Voor water loopen we tien minuten. Dit doen we in benzine-blikken. We zitten op benzineblikken, gebruiken ze als tafel etc. en dan de granaatdoozen! Heerlijke broodtrommels etc. Kopjes van vleeschblikken. In één woord, jullie kunnen je niet indenken hoe primitief we wonen.

Mijn huis en andere huizen staan er niet meer. Totaal vernield en verbrand, alles gestolen uit de grond en kelder. Zoo gaat het echter alle menschen hier. Iedere dag komen er nieuwe aan. Sommige zingen het Limburgsch Volkslied, andere knielen en bidden een onze vader of weesgegroet op de puinhoop en slaan een kruis en beginnen te ruimen. Wat is dit een heerlijk, gezond en rein volk! Enkele huilen als ze alle ellende zien, maar dan staan andere klaar die eerder gekomen zijn en helpen ze met het bouwen van een dak of hut, sleepen stroo aan, koken water in patronenbussen en geven de kinderen warme koffie of thee van hun rantsoen. Dit is al verstrekt. Over het eten zullen we maar niets zeggen! Aardappelen zijn er genoeg. Dan komen echter al de narigheden pas. Moeders krijschen angstig als kinderen op een niet ontplofte granaat timmeren. Dagelijks vliegen mannen en vooral kinderen de lucht in. De eerste dagen gaat dat goed, maar dan gaan ze zoeken. Mannen beginnen hun land met een geleende schop te bewerken, anderen maaien al het onkruid af en op iedere meter grond kan men de dood verwachten. Mijn gewezen tuinman kwam donderdag thuis, een man met zieke vrouw en een dochter. Vijf kinderen van hen zijn reeds dood en alleen was hun één kind over. Bij hun thuiskomst wilden ze probeeren of de pomp in het kapotte huis nog water gaf. Er volgde een ontploffing waardoor een rits trucbommen ontplofte waardoor alle omstanders, drie stuks, gedood werden. De moeder en dochter die iets verder stonden, beide beenen af. Men schrikt effen, maar ja er is iets nieuws: een kind verbrand door fosfor. Een andere familie komt thuis en wil de spaarpot uit de grond uit een kistje halen. Ze halen het deksel er af. Een mijn ontspringt en twee dooden. Ons kerkhof vult zich met menschen die terug keeren om te sterven. Hun wensch is vervuld: Ze willen niet in Holland begraven worden.

Gisteren hebben we de dienst in onze kerk bijgewoond. Nooit is er een God in een schooner omgeving aanbeden en gedankt. De kerk was een en al gat in het dak. Je kunt er met de kar in en uit rijden. Echter was al het puin er uit geruimd. Bij een zij-nis was een noodaltaar gemaakt. Daar was het veiliger. Banken zijn er niet meer, die zijn allen verstookt. Enkele heiligen staan nog op hun voetstuk. Het hoofdaltaar is in puin. Alleen het levensgroote kruisbeeld achter het altaar is er nog. Het is ongeschonden. Het gewonde bloedende hoofd neigt naar het kerkhof heen, waar honderden graven van soldaten zijn en waar al die witte kruizen aanklachten zijn, dat de kinderen van een God nog steeds niets begrijpen van het groote gebod van naastenliefde. Toen de zon het kruis bescheen leek het of het geslagen gelaat weende om het leed dat de menschenkinderen elkander aandeden. De mis was sober en toch schoon. Aan de blauwe hemel zagen we prachtige blanke goudomrande wolken voorbij gaan. Een vogel zat op een uitstekende balk. Door de groote gaten zagen we een vliegtuig gaan. Het bracht krijgsgevangenen terug naar huis. Het orgel zwoegde zoo goed als het ging en de zangers, bijna een jaar niet gezongen hebbende, deden hun best. Bij de toespraak van den pastoor huilden de meeste menschen. Ook de mannen!! De woorden van den geestelijke waren sober en ernstig. Hij eindigde met een gebed zoo schoon als ik nooit gehoord heb. God geef dit volk de kracht en sterkte om opnieuw te beginnen! Aan het einde van de mis werd het ‘salve Regina Nostra’ gezongen. De koorstemmen waren rauw en het orgel kreunde, maar alles was mooi en schoon. Het amen klonk als een gejubel en zelfs het orgel deed het goed. Deze tonen waren niet valsch. Ik heb hier al die menschen terug gezien. Geen gepoetste schoenen. Versleten kleeren, vermoeide trekken, maar vastberaden.

We zijn naar het soldaten kerkhof geweest. Ze liggen in rijen naast elkaar. Honderden en honderden. Hun namen staan op de witte kruizen. Vreemde namen, Jakes en Bill etc. etc. Voor ons zijn het vreemde namen, maar in hun land is het Jaap en Wim. Kinderen versieren de graven met groote bossen klaprozen en korenbloemen. Deze zijn zoo overvloedig. Het heele land is blauw en rood. Enkele graven liggen van de anderen af. Het zijn graven van enkele officieren, die voor de groote aanval gesneuveld zijn en daar denkelijk door den vijand begraven zijn. Links en rechts naast het kruis staan kogels met de punt naar boven gericht in de grond. Als vingers van de gedooden uit de graven wijzen ze naar boven, naar het blauw van de hemel, waar de eeuwige vrede is. We gaan weg, want er zitten moeders van kinderen en geliefden bij graven te bidden. Ze hebben ze terug gebracht uit de ballingschap en weenen nu bij hun graven. We gaan ’s middags een wandeling maken langs stellingen en bunkers. Flarden van kleeren en schoeisel, gebroken geweren, bergen patronen,hopen handgranaten, pantservuisten, mijnen, gasmaskers.

Bloed en ellende getuigen van een winter van menschen, die daar in de grond geleefd hebben. Er steekt een blad papier uit tusschen een verschoten helm en patroontasschen. We bekijken het. ’t Is een muziekblad. Een stuk van Bach. We nemen het mee als souvenir. Daar leefde in die bunker deze winter een mensch, die van muziek hield en dus ook van bloemen en alles wat mooi was. Waarom moest die mensch daar leven en sterven? De bosschen in de omgeving zijn zoo schoon. Uit alles spreekt een gebed. We worden stil, want er is iets heiligs van de dood om ons heen.Er klinken schoten. Jongens die een geweer hebben spelen ermee. Ieder heeft een geweer. Enkele hebben een mitrailleur. Kogels zijn er genoeg en hier in Niemandsland mag alles. Kinderen spelen soldaat. Bijna alle hebben helmen op. Alleen de kleinere moeten zich tevreden stellen met Duitsche helmen. Bij een kuil ligt een prachtige gave schoen half onder het zand. Ik trek hem eruit, een been komt mee, dan een lijf. We bedekken het maar weer gauw met zand. Deze schoen is immers van die doode! In de bosschen hangt een vreeselijke stank. De hoofdwegen alleen zijn begaanbaar. Overal staan bordjes met mijnen er op. Duizenden lijken liggen nog onbegraven in de bosschen. Enkele kunnen we nog zien liggen achter de mitrailleur. Het zijn Duitschers zoo te zien aan de helmen en kleeren.

Er komen krijgsgevangenen werken. “Eindelijk” wordt er gezucht. Achter het prikkeldraad aan de rand van het woud is hun kamp. We mogen er niet tegen praten en schreeuwen. Dat laatste is onnoodig te verbieden. We hebben zooveel leed en lijden om ons heen, dat het niet in ons opkomt ons te verheugen in het leed van anderen. Wij allen, kinderen van Limburg, weten wat het is in den vreemde te zijn en te verlangen naar een plekje grond dat ergens op de wereld is, maar niet bereikbaar. Wij gaan naar ons hut toe en kooken aardappelen en eten lekker al dit goede wat onze bodem opbrengt. ’s Avonds is onze hut vol volk. Vroegere buren, vrienden, bekenden, nichtjes en allen, we drinken koffie en praten Limburgs. Van over de Maas klinkt dansmuziek tot ons door. Dit is 6 km verder. Daar is Tommy-bal. We gaan daar niet heen, want dat is Brabant en voor feesten is er geen tijd en geen idee. De menschen gaan door de heerlijke blauwen nacht en in het eikenhakhout zingt den nachtegaal. Dan gaan we slapen. Zuid helpt Noord! Dit is het parool van de meisjes uit Zuid-Limburg als ze ons aan komen bieden om te helpen. Ze doen de wasch en helpen zoo goed als het kan. Dit gaat van onzen Bisschop uit, maar tegen dit alles zijn ze niet opgewasschen. Zooveel ellende groeit boven de menschen uit. Er sterven menschen op stroo en er worden nieuwe geboren, maar geen verwensching klinkt er uit de monden. Enkel maar een stil gebed! Ver weg ligt Holland en die hebben hun gespreide bedden en logeerkamers. Zij kibbelen over de jurk die zij aandoen, roddelen over elkaar, sjansen met de Tommies, dansen zich in het zweet, verzamelen schatten, ploeteren om meer bezit en slapen niet vanwege al hun zorgen. Dit volk slaapt ’s nachts, want het is moe en heeft niets om over te tobben. Er zijn geen huizen, geen bebouwde landerijen, geen koeien of paarden, geen kippen of eenden, geen meubels of kleeren, in één woord, er is niets om over te tobben. Onder hen is het stroo en boven hen is de goede God, die over zijn kinderen waakt en ze beschermt, maar kastijdt omdat hij ze lief heeft. Heer God, wij danken U voor alles wat Gij ons gegeven hebt.

‘Teun en Peter’

‘Deze brief met de noodkreet is afkomstig van onze oud-dorpsgenoot Peter Linders en heeft ons bereikt via Jeanne Vorst-v.d. Donk uit Maarheze. Peter was een bekende Milsbeker, die samen met zijn neef Wim Jansen voor de Tweede Wereldoorlog een vennootschap onder firma stichtte en aan de Oudebaan een bloempottenfabriek startte. Hij ging zich in de loop van de tijd toeleggen op de vervaardiging van sieraardewerk. Voor en tijdens de oorlog woonde hij met zijn moeder en de in de brief aangehaalde medewerker Teun Theunissen in de villa Holy Lodge. Na de oorlog maakte het bedrijf een stormachtige groei door en kreeg ‘de Olde Kruyk’ een grote bekendheid, tot ver over de landsgrenzen. Ook door zijn ‘sterke verhalen’ in de TV-programma’s ‘Showroom’ en ‘De stoel’ kreeg hij grote bekendheid.’

   
© Stichting CultuurBehoud Milsbeek - https://cultuurbehoudmilsbeek.nl