Door : Doorke Linders-Derksen

Het was puur toeval dat Jöb en ik samen moesten evacueren. We hadden in die jaren verkering en ik zag hem af en toe in het weekend. Jöb werkte in de oorlogsjaren in de mijn in Zuid-Limburg en was bij zijn broer Karel in Nieuwenhagen in de kost. Als het meezat kon hij in een uurtje of zes op de fits in Milsbeek zijn.

Jöb was op een zaterdag naar huis gekomen en op de daaropvolgende zondag de 17e september kwam voor ons totaal onverwacht de landing van de geallieerde troepen op Klein-America en bij de Wylerbaan in Groesbeek. Wij wisten toen nog niet wat er aan de hand was, maar die landing op zondagmorgen was een prachtig gezicht. Wij woonden in een boerderijtje aan de Bloemenstraat schuin tegenover de steenfabriek. Het was prachtig weer. Van over de Maas kwamen de vliegtuigen en kijkend in de richting van Groesbeek zagen we honderden zweefvliegtuigen en parachutes naar beneden komen. Buiten staan was niet ongevaarlijk. Als het te link werd moesten we de schuilkelder in. Mijn vader, Gerrit Derksen ook wel bekend als Wevers Gert, had die in de bongerd gegraven. Spoorbielzen moesten ons beschermen tegen rondvliegende kogels en granaten. Normaal zou Jöb maandagmorgen in alle vroegte weer op zijn fits zijn gestapt om honderdtwintig kilometer zuidwaarts weer in de mijn te gaan werken. Daar kwam nu niets meer van terecht. Hij mocht niet meer weg. Het was te gevaarlijk en bovendien werd het verboden.

Enkele weken later moesten we evacueren, lopend via ‘t Ven, waar ome Kobus woonde. Na een dagenlange moeizame tocht door Duitsland, de Achterhoek en over de Veluwe kwamen we uiteindelijk in Maarssen terecht, een dorp ongeveer tien kilometer ten noordwesten van Utrecht. De huisvesting werd geregeld door een zogenaamd evacuatiebureau. Er viel niets te kiezen. Je werd door het bureau naar een gezin gestuurd en daar mocht je dan minimaal zes weken blijven wonen. Ons gezin met aanhang werd opgesplitst en kwam op verschillende adressen in het dorp terecht. Ik ben diverse keren verhuisd en meestal was het armoe troef. Jöb kwam terecht bij de familie Verhoef. Deze familie had een garagebedrijf en hij had het redelijk naar zijn zin; het was niet goed, maar ook niet slecht. Achteraf gezien moet je toch begrip en bewondering hebben voor al die gastgezinnen. Je zult het maar meemaken; verplicht worden om wildvreemde mannen, vrouwen en kinderen onderdak te bieden en ook nog te voeden. Bovendien was er bijna niets te krijgen. Geld was in die tijd zo goed als waardeloos. Daarom werd ruilen van spullen de gewoonste zaak van de wereld. Dat ruilen werd Jöb uiteindelijk fataal. Wekelijks werd in Maarssen een schip met aardappelen voor de Wehrmacht (het Duitse leger) gelost. Eten bemachtigen was, de ellendige Hongerwinter stond voor de deur, de voornaamste bezigheid. Jöb en Verhoef gingen elke week met ruilhandel naar dat schip. Totdat het op een kwade dag verkeerd ging. Ze werden aangehouden en vervolgens door de schipper beschuldigd van diefstal. Jöb en Verhoef werden gearresteerd en naar de gevangenis “de koepel” in Utrecht gebracht. Ik ben nog met ons Trien, later getrouwd met Piet Jansen (van Tinus van Wel) naar het hoofdkwartier van de Duitsers gegaan om hem vrij te krijgen, maar dat was zinloos. “Heraus, wer klaut wird eingesperrt”, was het antwoord van de commandant. Het enige wat ik nog voor hem kon doen was hem zoveel mogelijk bezoeken. Drie weken later was Jöb plotseling verdwenen en via via kwam ik er achter dat hij was overgebracht naar het kamp Amersfoort.

Ik schrok me bijna dood; niet alleen was het veel verder weg, het was ook voor hem veel gevaarlijker geworden. Intussen was ik in Maarssen verhuisd en bij de vrouw van Verhoef ingetrokken. Kort daarna kon ik bij de familie Radings gaan wonen en dat is heel belangrijk voor mij geweest, want deze familie was heel goed voor mij. Jan Radings was van beroep conferencier; dat beroep mocht hij van de Duitsers niet meer uitoefenen, maar hij had er wel veel en ook de goeie contacten van overgehouden. Ik ben op zoek gegaan naar Jöb in Amersfoort. Dat was een heel eind te voet of met een fits op volbanden. Ik kwam er al gauw achter, dat hij was ingedeeld bij een groep gevangenen, die brede loopgraven moest maken in Hamersveld, een gehucht net buiten Amersfoort. Ook ontdekte ik, dat ik met een bepaald pasje (Ausweis) overal in Hamersveld vrij mocht rondlopen, ook in het gebied waar de gevangenen dwangarbeid moesten verrichten. Dat pasje kon je krijgen in ruil voor een trouwring of vijftig gulden. Eenmaal in het bezit van zo’n pasje ben ik Jöb gaan zoeken. Het weerzien was heel emotioneel. Ik kon weer met hem praten en mocht zelfs met hem gaan wandelen, zolang ik maar niet het grondgebied van Hamersveld verliet. Ik bezocht hem, vanuit Maarssen, zoveel mogelijk elke dinsdag en vrijdag per fits met volbanden (banden van massief rubber zonder binnenband), een dikke vijftig kilometer op en neer. Inmiddels was het Kerstmis geweest en heerste de beruchte Hongerwinter van 1944/1945 met verschrikkelijke kou en nauwelijks iets te eten. Ik maakte met Jan Radings en met Jöb plannen om hem uit het kamp te smokkelen.

Daarvoor was in de eerste plaats een goede fits met luchtbanden (dus geen volbanden) nodig. Bertha van Tante Door, later beter bekend als Bertha van Thei Emons, had nog zo’n goeie fiets. Zij wilde die fiets, weliswaar met pijn in het hart, wel aan mij lenen. Ik zou met extra vrouwenkleding en schoenen met blokhakken naar Amersfoort gaan. Daar zou ik overnachten en de volgende dag zo vroeg mogelijk naar het Hamersveld gaan om Jöb te zoeken, hem omkleden en dan als twee vrouwen verdwijnen. Op een heel koude dag, eind januari 1945 vertrok ik op de goede fits van Bertha richting Amersfoort. Daar aangekomen, moest ik onderdak zoeken en dat viel helemaal niet mee. Om acht uur was het spertijd en dan moest je binnen zijn. Na veel gevraag en even zo vele teleurstellingen heb ik toch iets gevonden. Het was niet veel soeps en voor geen geld ter wereld zou ik die nacht nog eens over willen doen. De volgende dag wilde ik in alle vroegte op de fits springen richting Hamersveld, maar waar Jöb me zo voor had gewaarschuwd was gebeurd. Alle onderdelen van de fits zaten stijf bevroren aan elkaar, ik kon niet trappen. De ketting, het stuur en de wielen, alles zat vastgevroren. De fits was onbruikbaar en met tranen in de ogen moest ik de fits van Bertha laten staan en te voet verder.

Met mijn bezoekerspas kon ik Jöb op het Hamersveld gemakkelijk benaderen en we zijn vervolgens gaan wandelen richting Amersfoort. Toen ontdekten we dat we van geluk konden spreken, dat we geen fits meer hadden en zoveel mogelijk in de struiken en uit het zicht konden blijven. Het wemelde onverwachts van de soldaten en controleposten. Op de Laan 1914 zag ik een vrouw lopen met een kerkboek onder de arm. Die zouden we wel in vertrouwen kunnen nemen, ons verhaal vertellen en vragen of we ons bij haar konden omkleden. Dat mocht en even later stond Jöb in een lange jas, met blokhakken en hoofddoek als vrouw verkleed weer op straat. De voettocht naar Maarssen kon beginnen. Dat was heel gevaarlijk, want Jöb mocht niet opvallen, want hij had geen Ausweis (Keine Papieren). Na een uur lopen haalden we een vrouw met twee kleine kinderen in die met een kruiwagen met daarop een paar zakken piepers ook in westelijke richting liep. Het was in die Hongerwinter heel gewoon, dat mensen uit het westen van het land naar Overijssel en met name naar Raalte liepen, om daar eten te halen We liepen met dit gezin mee, zodat Jöb minder op zou vallen. Een poosje later sloeg ons de schrik om het hart! Het was hartstikke druk op straat en de Duitsers hielden alles en iedereen aan. Pascontrole en Jöb had helemaal niets. De Duitsers staken met de bajonet in de zakken op de kruiwagen om te controleren of er alleen maar piepers in zaten. De vrouw met de kruiwagen was zo vermoeid en angstig dat ze dreigde om te vallen. Zonder nog om papieren te vragen kreeg Jöb opdracht van de soldaten om de kruiwagen van haar over te nemen en verder te lopen. Toeval bestaat niet, want het was de zoveelste keer, dat ik tijdens deze gevaarlijke onderneming bemerkte, dat er meer dan niks is tussen hemel en aarde. Doodmoe kwamen we tegen acht uur ‘s avonds, net voor de spertijd, aan bij de familie Radings in Maarssen. Daar heeft Jöb weer zijn eerste nacht in herwonnen vrijheid doorgebracht. Jan Radings, die van de hele operatie op de hoogte was, had ondertussen met de verzetsbeweging een nieuw onderduikadres voor Jöb geregeld bij een tuinder en daar is hij de rest van de oorlog ook gebleven. Een spannende en gevaarlijke onderneming had een goede afloop gekregen. Op 1 mei 1945 werd ik twintig jaar en kreeg ik van de schoonzus van Jan Radings het mooist denkbare cadeau voor die tijd: twintig aardappels.

‘Het Kamp Amersfoort was een zogenaamd Polizeiliches Durchgangslager. Er zijn ongeveer 40.000 mensen geïnterneerd geweest; verzetsmensen, krijgsgevangenen, gijzelaars, Joden, zigeuners etc. De gevangenen werden tewerkgesteld, er werd gemarteld en gemoord. Vele honderden mensen hebben die tijd in dit kamp niet overleefd. De meesten werden afgevoerd naar Neuengamme bij Hamburg, om daar tewerkgesteld te worden. Na de oorlog is Jöb niet meer teruggegaan ‘naar de mijn’ maar heeft hij achtereenvolgens gewerkt op de steenfabriek, bij de Philips en CNC. In 1951 trouwden Jöb en Doorke en zij zijn toen gaan wonen in een van de gemeentewoningen aan de Langstraat. Onder verwijzing naar de vroegere eigenaar van de grond werd dat toen ook wel de Piksingel genoemd. Jöb overleed in 2004 en Doorke woont anno 2011 op de Zandberg in Milsbeek.’

   
© Stichting CultuurBehoud Milsbeek - https://cultuurbehoudmilsbeek.nl