Door : Cisca Kamps

Ik ben in 1927 geboren in Ottersum als dochter van Jan Kamps en Lies Mans. Mijn moeder was een dochter van Piet Mans en Sien Bindels uit de Bloemenstraat. Toen ik 4 jaar oud was, ben ik bij mijn opa en oma aan de Bloemenstraat in huis gekomen. Dat was aanvankelijk als tijdelijk bedoeld, maar het tijdelijke werd uiteindelijk mijn hele jeugd. Ik ben in Milsbeek naar school gegaan en had daar mijn vriendinnen. Toen de oorlog uitbrak, woonde ik daar met mijn opa en oma en de ongehuwde oom Wim en tante Marie. Tijdens de oorlog werd in 1942 ‘ons gezin’ nog uitgebreid met mijn nichtje Thea van Ome Sjang. In 1944 overleed mijn opa. Ook het aan de overzijde van de straat gelegen boerderijtje (waar nu Jenny Mans woont), behoorde in die tijd bij de boerderij van opa en oma. Daar was de veestapel van het boerderijtje ondergebracht en daar woonden Ome Piet Mans en tante Drieka met hun gezin.

In de gebouwen aan beide zijden van de weg waren, zoals in het merendeel van de woningen in Milsbeek, Duitse soldaten ingekwartierd. Die maakten om in hun levensonderhoud te voorzien ook soms gebruik van hetgeen bij de eigenlijke bewoners op stal stond. Zo ook in oktober 1944, de precieze datum is niet meer bekend, bij de familie Mans. Toen overbuurman Driekus Celissen kwam informeren of men nog wat melk voor hem had, vertelde hij dat hij gezien had dat de Duitse soldaten aan de overkant van de weg ‘aan het vee zaten’. Ik holde meteen naar buiten om te kijken en zag dat ze al met het vee op de Bloemenstraat waren. Aan de andere kant van de Maas was de actie van de Duitse soldaten blijkbaar ook niet onopgemerkt gebleven. Er werden granaten afgevuurd en een ervan plofte op 2 a 3 meter afstand voor mij neer.

Ik werd zwaar getroffen. De grootste scherven kwamen in mijn enkels terecht en heel veel splinters in de rest van mijn lichaam en ik bloedde hevig. Bloedend werd ik naar de kelder gebracht en daar wat verbonden. Bij de post van het Rode Kruis, die bij Kerkhof de smid aan de Rijksweg was gevestigd en waar ook getelefoneerd kon worden, werd hulp gevraagd. Op een brancard werd ik vervolgens met paard en kar naar het hospitaaltje van de zusters in Gennep gebracht. Daar werden de grootste scherven uit mijn voeten verwijderd. Maar alles begon te zweren en in Gennep kon men mij toen onvoldoende behandelen. Daarom werd ik enkele dagen later door Duitse soldaten met nog twee andere patiënten in een legerwagen overgebracht naar een Duits ziekenhuis. Onderweg kwamen we onder vuur te liggen en we moesten een nacht in het Lazaret in Maria Roepaan blijven.

In het Kleefse ziekenhuis konden we vervolgens als gevolg van de bombardementen die hier waren uitgevoerd niet meer terecht. Alles was overgebracht naar de als noodhospitaal ingerichte psychiatrische inrichting in Bedburg. Het waren daar verschrikkelijke en slechte omstandigheden, met o.a. beddengoed dat nog onder het bloed zat als gevolg van de uitgevoerde bombardementen. Ik kreeg er ook nog roodvonk en moest tijdens een bombardement ook nog weer een keer naar de kelder verhuisd worden. En uiteraard was ik verschrikkelijk eenzaam, want niemand kon mij natuurlijk bezoeken. In de gehele periode dat ik daar verbleef heb ik maar een keer een bekende gezien. Dat was Antoon Dinnissen (van Pau) uit de Bloemenstraat, die in Duitsland bij een boer werkte. In februari 1945 werd ook ik daar uiteindelijk ‘bevrijd’ door de Engelsen en vervolgens overgebracht naar een ziekenhuis in Nijmegen. Daar kreeg ik, wat men toen noemde, ook nog de natte pleuris (vocht achter de longen). Van mijn familie uit Milsbeek en Ottersum wist intussen niemand hoe het mij verder vergaan was en of ik nog in leven was. En zelf wist ik natuurlijk niet waar de familie Mans uit de Bloemenstraat en mijn vader en moeder terecht gekomen waren. In Nijmegen hoorde ik op enig moment, dat er een brief via een Engelse militair naar het St. Elisabeth ziekenhuis in Tilburg zou worden gebracht. Dat was het ziekenhuis waar mijn tante Hanneke werkte. Dat was Hanneke Kamps, een zus van mijn vader, die daar kloosterzuster was. Ik vroeg toen, of de soldaat ook een briefje van mij daar aan mijn tante af wilde geven en dat gebeurde. Tante Hanneke zorgde er vervolgens voor, dat ik naar het St. Elisabeth ziekenhuis in Tilburg werd overgebracht en onder haar goede zorgen kwam. Via Frans Derks uit Milsbeek kwamen we uiteindelijk achter het evacuatieadres van mijn oma en vader en moeder. Toen de evacués weer terug mochten moest ik vervolgens nog tot september 1945 in het ziekenhuis in Tilburg blijven omdat ik nog niet voldoende hersteld was om dit te verlaten.

In september 1945 kon ik uiteindelijk het ziekenhuis weer verlaten. Nadat ik weer korte tijd bij mijn ouders in Ottersum was geweest, wilde ik toch weer graag terug naar mijn Oma en oom Wim en tante Marie in Milsbeek en naar mijn vriendinnen daar. Nog lang ben ik daar bij de toneelvereniging ONA geweest. Totdat ik in 1953 trouwde heb ik met heel veel genoegen in Milsbeek gewoond en ik denk met veel plezier aan mijn jeugd daar terug.

‘Toen ik met het onderzoekje over de zoektocht naar Thea Mans bezig was, gaf Nelly Mans mij in overweging, ook eens met haar nicht Cisca Kamps contact op te nemen. Zij vertelde mij, dat ook zij als inwoonster van Milsbeek een bijzondere oorlogservaring had en vermist was geweest. Zij vertelde mij verder, dat zij kanker in een terminaal stadium had, maar dat zij toch graag eens met mij hierover wilde praten. Ik heb aan haar verzoek gevolg gegeven en ontmoette een lieve, dappere en ijzersterke vrouw, die mij haar ingrijpende oorlogservaring vertelde. Cisca, die getrouwd was met Sra Nogarede en in Bergen (Limburg) woonde, is inmiddels op 17 mei 2011 overleden.

 

   
© Stichting CultuurBehoud Milsbeek - https://cultuurbehoudmilsbeek.nl