Door : Martien Celissen

Geboren in 1930, was ik 10 jaar oud toen de oorlog begon. Met mijn vader Driekus Celissen en mijn moeder Dien woonde ik samen met mijn zussen Annie, Cato, Leen en mijn broer Thei midden op het fabrieksterrein. Dat was in een woning die bij de steenfabriek, waar mijn vader voorwerker was, hoorde. Voor ons als kinderen was de oorlog een mooie tijd waarin we van alles beleefden. Hoewel er, voor zover ik weet, ter hoogte van de steenfabriek langs de Maas bij de inval in mei 1940 geen gevechten zijn geweest, moesten wij toch wel weg. We zijn toen een nacht in het patronaat ondergebracht geweest. Mogelijk was dat omdat men bang was dat er gevechten zouden uitbreken vanuit de kazematten die aan de andere kant van de Maas in de mobilisatietijd waren geplaatst. Toen we daags erna weer naar huis gingen, stond er langs de Rijksweg een rij grote legertrucs waar niemand in zat. Waar nu Jan van den Hoogen woont (toen mèster Bendels), klom ik op zo’n legertruc met een houten stuur en probeerde ik stoer wat aan het stuur te draaien en op wat knoppen te drukken. Schijnbaar ook op de startknop, want de truc reed ineens vooruit en botste op de auto die ervoor stond. Mijn broer Thei en ik schrokken ons kapot en renden het bosje in achter de Olde Kruyk en verstopten ons daar een tijdje. De productie van de stenen via de natte pers die in het gebouw achter ons huis stond, ging nog lang door. Als de stenen droog waren werden de volle wagons met behulp van ‘d’n bult’, zo werd het laatst overgebleven paard genoemd, over de rails op het fabrieksterrein naar de droogrekken getrokken. Het was een paard dat ooit bij Kühn in een veengat was gevallen en de rug gebroken had en daarom niet aan de Duitsers afgestaan behoefde te worden.

De kolen voor het stoken van de ringoven werden aanvankelijk nog per schip op de eigen loswal aangevoerd en de buurt profiteerde hier af en toe wat van mee. Toen er later geen kolen meer geleverd werden, kocht Huisman losse turf uit het Milsbeekse ven en probeerde daar met de natte pers, waarmee ook de stenen gemaakt werden, een soort briketten van te maken om door te kunnen gaan met het bakken van de stenen in de ringoven. Maar dit werd geen succes. Wel kon de buurt ook hier vervolgens van profiteren door de kachel te stoken van de grote hoop turf die op het terrein opgeslagen lag. Het maken van de stenen ging nog een tijdje door maar de droogrekken kwamen zo langzamerhand helemaal vol te zitten. De auto van de steenfabriek, waar de gebakken stenen mee werden weggebracht, werd later gebruikt voor andere soorten vrachtvervoer. Zo moesten de boeren b.v. een deel van de opbrengst aan de Duitsers leveren, ook rogge en tarwe. Met de vrachtauto van de steenfabriek werd het zaad door Piet Mans en mijn vader daarna bij molenaar Coopmans in Ottersum opgehaald en naar de haven in Wanssum gebracht. Soldaten stonden er met een geladen geweer bij om te voorkomen dat er gestolen werd.

Maar er werd iets op gevonden om toch wat graan achterover te drukken. De vrachtauto had een dubbele bodem met hier en daar in het bovenste dek wat kieren en gaten in waardoor er wat zaad naar het onderdek kon lekken. Wij als kinderen moesten mee om met onze voeten ervoor te zorgen dat er zoveel mogelijk graan door de kieren naar het onderdek liep. Als er voldoende voorraad was, werd het naar de Grafwegen gebracht om gemalen te worden. In de buurt kon hier vervolgens weer brood van gebakken worden. Het was een mooie aanvulling op het karige rantsoen dat iedereen via de bonnen kreeg. Later werd de auto gevorderd door de Duitsers. Frans Huisman wilde dat voorkomen en haalde de kop van de cilinders af, zodat hij niet meer kon rijden. Maar die truc ging niet op. Er kwamen twee soldaten met handgranaten en de auto met de primitieve garage waar hij in stond, vloog de lucht in. En niet alleen de vrachtauto vloog de lucht in. Ook ‘onze’ roeiboot, waarmee we weleens een paar centen hadden bijverdiend om mensen de Maas over te zetten, ging mee de lucht in.

De oorlog begon voor ons gevoel pas na 17 september 1944 toen de geallieerden in Plasmolen en Middelaar en aan de Brabantse kant van de Maas bleven steken. In Plasmolen en Middelaar vonden verschrikkelijke gevechten plaats. De doden werden op karren gestapeld en via de Bloemenstraat afgevoerd. Als jongens wilden wij weleens weten waar die naar toe gingen en wij liepen op een keer mee. We zagen toen dat ze hoog werden opgestapeld bij Piet Noij (Piet van Giel) aan de Nijmeegseweg. Toen we later thuiskwamen en het grote nieuws vertelden, zwaaide er wat voor ons. Het was natuurlijk hartstikke gevaarlijk geweest wat we hadden gedaan. Later kwam de uittocht van de mensen uit Middelaar via de Bloemenstraat op gang. De hele buurt had intussen ook veel meer inkwartiering gekregen. Ook op de steenfabriek waren veel soldaten ingekwartierd. Onder de ringoven in het rookkanaal, dat een afmeting had van 1,50x1,50m en waar het relatief veilig was, zaten de hoge heren van het Duitse leger. Boven de ringoven zaten de gewone soldaten. Wij konden er goed mee opschieten en kregen van de soldaten kuck (soldatenbrood). De schoorsteen werd door de Duitsers gebruikt als uitkijktoren. Wij moesten uit onze woning. Het was te gevaarlijk omdat de schoorsteen om zou kunnen vallen. Daar snapten we niets van. Waarom zou die ineens om gaan vallen? Maar pas later begrepen we, dat die als uitkijkpost werd gebruikt. Binnenin de pijp zaten dezelfde klimelementen als buiten en zo klommen de soldaten ongezien naar boven. Met een paar planken klom men naar boven. Over de rand van de schoorsteen had men een prima zicht op de doelen waarop de Duitse granaten afgevuurd konden worden. Maar dat kregen de Tommy’s ook in de gaten en met tankschoten probeerde men de pijp naar beneden te halen. Vanaf de berg bij Tinus Cuijpers zagen we hem vallen. Een soldaat lag op enkele meters van de kapotgeschoten pijp en hij werd natuurlijk meteen afgevoerd door de Duitsers. Toen we na de oorlog in 1945 terug waren en het puin werd opgeruimd, bleek er nog een tweede soldaat in een stuk pijp te zitten. Het was een zekere Johan Tappen uit Goch. Samen met Fons Huisman hebben we die vervolgens nog begraven op een noodkerkhofje in de buurt van de boerderij van Mans.

Wij moesten in die tijd naar overbuurman Herman Thissen (de Dood). Daar werd een schuilkelder gegraven, afgedekt met bouwmaterialen die vooral op de steenfabriek volop voorhanden waren. Alleen onze geit bleef voorlopig nog op de stal van ons huis. Later zijn we zelfs verhuisd naar de schuilkelder bij Jan Jansen (van Tinus van Wel) aan de Bosschebrugstraat. Door het aanhoudende granaatvuur vanaf de overkant van de Maas bleef er van de droogschoppen met daaronder nog heel veel ongebakken stenen (munniken) weinig meer over.

In oktober 1944 moesten we natuurlijk net als alle andere Milsbekers evacueren. Samen met Jan Jansen kwamen we uiteindelijk via Maarsseveen in Maarssen terecht. Vlak bij ons huis en het oude hoofdgebouwtje waar de bakkenpers stond was in de tijd dat we weg waren een bom gevallen. Het huis waar wij woonden was niet van de steenfabriek maar van de familie Wouters. Mijn ouders mochten er tot aan hun dood wonen. De muren stonden na de evacuatie nog overeind maar het pannendak was eraf geblazen. Bouwmaterialen afkomstig van de vernielde droogrekken lagen er genoeg op het terrein van de steenfabriek. Met de handige mannen die we in de familie van mijn moeder hadden, was het huis binnen een week weer droog en dus bewoonbaar.

‘Na het overlijden van Driekus Celissen mochten dochter Cato en haar man René de Block nog tot 1973 in de woning midden op het terrein van de steenfabriek blijven wonen. Nadat ze nog in brand is gestoken om als oefenobject voor de brandweer te dienen, is de woning uiteindelijk in datzelfde jaar afgebroken en is op die plaats de grote overdekte klei-opslag gebouwd. Martien bouwde aan de andere zijde van de weg in 1955 een nieuwe woning. Hij woont daar nog steeds, tegenover de al enkele jaren leegstaande fabrieksgebouwen.’

   
© Stichting CultuurBehoud Milsbeek - https://cultuurbehoudmilsbeek.nl