Door : Hannie Kersten-Emons

Mijn vader is geboren in Escharen en verhuisde toen hij 6 jaar oud was met zijn vader Kees(ke) en zijn moeder Kaatje naar Milsbeek. Ze gingen wonen op de hoek van de Rijksweg en Kerkstraat. Kees(ke) handelde in vee en kolen. Het gezin van mijn Opa en Oma ging uiteindelijk 11 kinderen tellen, 8 jongens en 3 meisjes. Van de 8 jongens zouden er later 6 in Milsbeek een bedrijf hebben.

Mijn vader moet gedroomd hebben van vrachtauto’s en in het begin van de dertiger jaren kocht hij in Plasmolen een tweedehands Chevrolet vrachtwagen en hij begon, aanvankelijk samen met zijn helaas vroeg verongelukte broer Johan, een transportbedrijf. Er werden o.a. stenen, meubels en vee vervoerd. Vlak voor de oorlog kwamen er twee Opels bij. In de oorlogsjaren (1943) trouwden mijn vader en moeder. Ze gingen aanvankelijk wonen aan de Rijksweg tegenover waar nu de hertenwei van Wil en Ria van der Valk is. Een jaar later werd mijn oudste broer Kees geboren. Zelf ben ik in 1948 geboren en ben van de generatie die in onze jeugd veel oorlogsverhalen van onze ouders te horen kreeg. Als ze met hun broers of zussen waren, dan kwamen ze er niet over uitverteld. Verhalen van verdriet, honger en ellende, evacuatie en boosheid. Maar ook verhalen waar ze hartelijk om konden lachen of die wij als kind heel spannend vonden.

Een van die verhalen ging over een vrachtwagen van mijn vader. Hij was voor de oorlog begonnen met een Chevrolet. De twee Opels waren gloednieuw afgeleverd door garage Jetten. Op de ochtend van 10 mei 1940 daverde er in Gennep een Duitse pantsertrein ongehinderd de Maasbrug over. Drie dagen later gaf Nederland zich over en Emons moest een van zijn fonkelnieuwe Opeltjes bij de bezetter inleveren. Als mijn vader dat vertelde werd hij keer op keer weer kwaad, vooral door zijn onmacht, hij kon er op dat moment niets tegen doen. Maar als hij met zijn verhaal verder ging werd hij steeds vrolijker en genoot keer op keer weer van deze herinnering. Wat was namelijk het geval geweest? Een week nadat de Duitsers de Opel hadden gevorderd, kwam het zoontje van veehandelaar Andriessen uit Gennep, voor wie hij vee vervoerde, aangefietst. Hij kwam vertellen dat onze vrachtwagen op de markt in Gennep stond, overgespoten in ‘Duits groen’. Volgens dat ventje stond de wagen daar onbeheerd. Mijn oma, zijn moeder dus, bleef mijn vader naroepen dat hij vooral geen domme dingen moest doen. Ze kende haar pappenheimers immers. Maar mijn vader zat al op de fiets richting Gennep ! En jawel hoor, daar stond de Opel, vlakbij de marktpomp. Wel veel Duitsers in de buurt, maar het leek erop dat ze niet omkeken naar zijn vrachtwagen. Hij gooide zijn fiets achter in de bak, stapte in en zoals hij vertelde: ‘‘Ik voelde het bloed uit mijn gezicht wegtrekken, want er zat geen contactsleuteltje in!’’ Trillend van de zenuwen ging hij op zoek naar iets waarmee hij de wagen aan de gang kreeg. Uiteindelijk vond hij een verborgen startknop. Gauw indrukken en wrooemmm.... terug naar huis. Hij kwam niet meer bij als hij dan ook nog vertelde, dat hij overal voorrang kreeg, omdat iedereen dacht met een Duitse Wehrmachtswagen van doen te hebben.

Bij huis aangekomen, werd de teruggestolen auto gauw verborgen in de schuur tot er weer betere tijden zouden aanbreken. In 1943 kocht hij voor fl. 1300,-- een Dodge. Hiermee mocht hij alleen maar rijden voor de bezetter, o.a. graszoden voor de vliegvelden. Toen ook deze auto gevorderd werd en hij naar Duitsland zou moeten gaan werken, is hij ondergedoken.

Mijn broer Kees werd geboren in augustus 1944 en kort erna werd het doffe ellende in Milsbeek. Omdat in het ouderlijk huis een grote kelder was, verbleef daar een groot deel van de familie en ook wat omwonenden. Het was er zo vol, dat zoontje Kees in een hangmat aan het plafond werd gehangen. Het zou niet veel hebben gescheeld, of hij was daar boven tegen het plafond door zuurstofgebrek gestikt. Nog net op tijd werd het ontdekt. In oktober begon de evacuatie. Met behulp van een kar kwam men in De Meern terecht. Toen men na de oorlog weer terugkwam was de ravage enorm.

Na de oorlog heeft het pap veel moeite gekost zijn Dodge weer terug te krijgen en uiteindelijk lukte het. Werk was meer dan genoeg. Hij vervoerde aanvankelijk vooral bouwmaterialen en bouwvakkers voor de wederopbouw. Vader en moeder kochten in 1947 het huis van Thei Thijssen dat zich wat meer in zuidelijke richting langs de Rijksweg bevond en de oorlog redelijk had doorstaan. Hier was ruimte achter de woning voor het bouwen van een eigen garage. Ook het veetransport kwam weer op gang en uiteraard ook het transport van de vele Milsbeekse bloempotten die naar Lent en Aalsmeer gebracht moesten worden. Als kinderen groeiden we daar na de oorlog op met het voetbalveld achter ons huis. Vader breidde geleidelijk aan zijn bedrijf uit. In de jaren vijftig werden de bekende internationals aangeschaft.

‘Het transportbedrijf van de familie Emons maakte na de oorlog een gigantische groei door. Deze groei zette zich in, toen Wim in 1963 begon met het vervoer voor de CNC. De zonen Kees, Sjang en Pieter kwamen in die tijd in het bedrijf van hun vader en het personeelsbestand werd gigantisch uitgebreid. Het bedrijf biedt nu werk aan heel veel mensen. De hoofdvestiging is nog steeds in Milsbeek en Kees, Sjang, Pieter en jongste dochter Ineke zijn nog altijd echte Milsbekers. Van de kinderen is de schrijfster van dit verhaal de enige die niet meer in Milsbeek woont. Maar uit het feit, dat zij een van de eersten was, die zich na onze omroep met dit verhaal meldde, blijkt haar betrokkenheid met ons dorp overduidelijk.’

   
© Stichting CultuurBehoud Milsbeek - https://cultuurbehoudmilsbeek.nl