Login Form  

   

Door : Thea Janssen-Manders

Ik ben geboren in februari 1936 in het Duitse Hassum. Mijn moeder, Toos Bindels, was geboren op ‘De Högt’ aan de Bloemenstraat en was in 1935 getrouwd met mijn in Hassum geboren vader Sjang Manders. Zijn vader Gradje Manders was ooit vanuit het Brabantse Schaijk naar Duitsland gaan werken, daar getrouwd en er blijven wonen. In zijn jonge jaren speelde Papa op kermissen accordeon en zo heeft hij op de Gennepse kermis moeke leren kennen. Ze zijn daarna in het ouderlijk huis in Hassum gaan wonen en papa had daar een boerderij met een aannemingsbedrijfje. Omdat zij zich in het Duitsland van net voor de oorlog met de opkomst van Hitler minder thuis gingen voelen, werd het huis in Duitsland in 1937 verkocht. Zij kochten toen een boerderijtje aan de Bosschebrugstraat (thans Sprokkelveld). Een probleem was dat de opbrengst van het huis in die jaren niet naar Nederland mocht. Maar mijn Moeke wist daar wel raad op. Ze verborg het geld in het stuur van de fiets en wist het op die manier Duitsland uit te smokkelen.

Toen de Duitsers in mei 1940 binnenvielen, was ik dus 4 jaar. Veel weet ik me daar uiteraard niet meer van te herinneren. Alleen nog dat ik in de kelder bij mijn oom Martien Bindels aan de Rijksweg de Duitsers over de Rijksweg heb zien marcheren. Het was voor ons natuurlijk een heel dubbel gevoel want we hadden heel erg veel familie hier in de grensstreek wonen. In de omgeving van Goch woonden nog 3 broers en 5 zussen van Papa waar we heel goede banden mee hadden. Het was trouwens niet onze enige familie in Duitsland. Tante Truus, een zus van Moeke, was in 1939 getrouwd met Willie Thünnessen uit Pfalzdorf die soldaat in het Duitse leger was. Zijn moeder Marie van Benthum was ook uit de Bosschebrugstraat afkomstig. Door haar huwelijk met een Duitser hadden hun kinderen de Duitse nationaliteit en moesten ze in het Duitse leger dienen. Een oom van Moeke, de in de Bloemenstraat geboren Driekus-ome (Noij), was rond de vorige eeuwwisseling naar Duitsland vertrokken en had in Hau bij Kleef een grote melkhandel, waar veel Milsbekers werkzaam zijn geweest. Zo ook ome Martin, een broer van Moeke. Hij leerde daar Agnes Scholten uit Schneppenbaum kennen, was daarmee getrouwd en in Milsbeek een fietsenzaak begonnen. Ook de kinderen van Driekus-ome, allemaal dus neven en nichten van moeke, woonden in Hou. De familie over de grens kon er ook niets aan doen dat het Duitse leger Nederland was binnengevallen en ze veroordeelden dit voor het overgrote deel dan ook. Familiebezoek was nauwelijks nog mogelijk. Aan het Reichswald, halverwege Milsbeek en Ven-Zelderheide vonden soms aan weerszijden van het prikkeldraad heimelijke ontmoetingen plaats waar dan wat levensmiddelen werden uitgewisseld. Ook met de Duitse soldaten die aanvankelijk bij ons ingekwartierd lagen en uit de grensregio kwamen bestonden goede contacten. Er is zelfs een foto waarbij Moeke en haar zus Marie samen op 17 september met enkele Duitse soldaten op de foto gingen omdat de oorlog voorbij leek. Maar de bevrijding van Milsbeek liet helaas op zich wachten en de situatie verslechterde voor ons drastisch. Milsbeek bleef bezet gebied en de bezetters, maar daarmee ook de Milsbeekse mensen, werden vanaf Plasmolen en de andere kant van de Maas beschoten met ontelbaar veel granaten. Er kwam veel meer inkwartiering van Duitse soldaten en overal werden stellingen gebouwd voor de verdediging. Papa en Moeke bouwden in de bongerd een schuilkelder.

Het werd steeds gevaarlijker en uiteindelijk kwam in oktober het bericht dat we moesten evacueren. Ome Willie, de Duitse soldaat die met een zuster van Moeke was getrouwd en met verlof nog een keer in Milsbeek naar onze familie was geweest, had echter gezegd dat we ons niet uit ons huis moesten laten jagen. Zodoende werd er door onze familie lang gewacht om het evacuatiebevel op te volgen, maar uiteindelijk werd men toch gedwongen om te vertrekken. Met een groep van hoofdzakelijk families uit de Bloemenstraat (Bindels, Mans en Noij) werd, via de bekende route die vele anderen ook al gegaan waren, geëvacueerd. Ik was toen dus 8 jaar en ik weet nog dat mijn tante Truus in Goch de stoet op stond te wachten en ons smeekte om met haar mee naar haar huis in Pfalzdorf te gaan. Maar onze familie koos er toch voor om bij de stoet te blijven. Voor een ander gezin uit de Bloemenstraat dat wel inging op de vraag om met hun familie mee te gaan, had het uiteindelijk fatale gevolgen. Via Gendringen en Velp werd er naar Doesberg verder getrokken richting Utrecht. Maar in Ede kregen we te horen dat het rond Utrecht vol zat. Een deel van de groep van 6 gezinnen werd daarom vlak bij het station in Ede-Dorp ondergebracht in de Musica, een soort gemeenschapshuis met een muziekkiosk en een schoollokaal.

Behalve de families Manders, Bindels, Mans en Noij uit de Bloemenstraat, waren dat de families Van den Hoogen van de Rijksweg en Pete-Nemeth uit Middelaar. Voor het eten was de hele groep afhankelijk van wat de gaarkeuken in Ede ons daar in de hongerwinter te bieden had. Dat betekende dat er heel weinig te eten was, onvoldoende om van te leven. Gelukkig was er een enkele familie in de buurt van het station, die ons wat hulp bood, zoals de familie Hartman, die een groentewinkeltje had. Verder werd er de omgeving ingetrokken om te schooien. Dat ging niet iedereen even gemakkelijk af, maar Moeke was degene die altijd voorop ging in de strijd en veel bij elkaar schooide. En dat niet alleen, stiekem haalde ze als het nodig was de boerenkool, de prei en de spruiten rechtstreeks uit de tuinen. Op het laatst heeft ze zelfs een keer ’s nachts de uien die overdag geplant waren weer allemaal uit de grond gehaald. De mannen konden zich, vanwege de razzia’s die van tijd tot tijd werden gehouden, niet buiten wagen. Als er onraad dreigde verdwenen ze onder een luik van het lokaal en daar werd dan een vloerkleed op gelegd. Wimke van Ome Lei werd er dan met zijn wiegje bovenop gezet. Helemaal uitgehongerd konden we uiteindelijk in mei weer naar huis en troffen we de zwaar beschadigde boerderij weer aan.

Vooral via een oom van Papa die in Amerika woonde zijn we heel goed geholpen. De foto waarop we op de puinhoop zaten werd naar Amerika gestuurd en heeft daar heel goed werk gedaan. De oom heeft ons zelfs gevraagd om naar Amerika te emigreren. Papa had daar wel oren naar gehad, maar moeke wilde absoluut niet. Ze wilde in Milsbeek bij haar familie blijven en daarom zijn we in Nederland gebleven. Papa, die eigenlijk metselaar was, heeft in eerste instantie de stenen van het zwaar beschadigde woongedeelte van de boerderij gepoetst en daarmee een noodwoning gebouwd. In het kader van de wederopbouw werd daarna het woongedeelte van de boerderij weer nieuw herbouwd. Ik mocht de eerste steen leggen en die siert nog steeds de kopgevel van het boerderijtje waar ik vroeger woonde.

‘Voor alle duidelijkheid: de‘Wimke van Ome Lei’ die in dit verhaal voorkomt, ben ik, de eindredacteur van dit boek. In mijn eerste levensjaar heb ik onbewust de evacuatie meegemaakt. De noodwoning van de familie Manders is na de oorlog nog vele jaren als starterswoning in gebruik geweest. In eerste aanleg bij Willie Peters (van Kobus van Nölleke) en vervolgens door Piet Hubers en nog weer later door Martien Lukassen. In 1994 is ze afgebroken, om plaats te maken voor de nieuwe seniorenwoning, die door Thea met haar man Harrie Janssen wordt bewoond.’

   
© Stichting CultuurBehoud Milsbeek - http://www.cultuurbehoudmilsbeek.nl